C-322/19 en C-385/19 KS and MHK e.a.

C-322/19 en C-385/19 KS and MHK e.a.

Prejudiciële hofzaken

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 11 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 27 augustus 2019

Trefwoorden : Dublin-III, vertraging asielverzoek, overdrachtregeling

Onderwerp :

- Artikel 78 VWEU

- Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus

- Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van de internationale bescherming (herschikking)

- Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming

- Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend

 

Feiten:

Verzoekers in beide zaken (KS en MHK in C-322/19 en RAT en DS in C-385/19) zijn in afwachting van een beroep over het besluit tot overdracht onder de Dublin-III verordening vanuit Ierland naar een ander EU-land. Tevens hebben alle verzoekers een werkvergunning aangevraagd die per ambtelijke toets zijn afgewezen, waartegen beroep onsuccesvol was en de verwijzende rechter in de zaken vragen heeft gesteld aan het Hof. Voor KS en MHK is dit de High Court (zij hebben tegen het beroep een maatregel van rechtscontrole ingesteld) en voor RAT en DS is dit de IPAT (beroepsinstantie voor besluiten inzake werkvergunningen).

 

Overweging:

Met de eerste vraag in C-322/19 wil de verwijzende rechter in essentie weten of twee EU-instrumenten die tegelijkertijd zijn aangenomen, maar waarvan één niet is aangenomen door een lidstaat (d.m.v. een opt-out), het EU-instrument dat wél is aangenomen in het licht van het niet-aangenomen instrument geïnterpreteerd moet worden. De tweede, derde en vierde vraag worden gesteld aangezien zij tot resultaat hebben dat aanvraag van verzoekers voor een werkvergunning afgewezen worden indien zij bevestigend worden beantwoord. Met de vijfde vraag verzoekt de verwijzende rechter in C-322/19 uitleg of het instellen van een rechtmatige doch vertragende rechtszaak te verwijten valt aan de verzoeker in de zin van artikel 15. Deze vraag wordt ook gesteld in C-385/19 (als tweede vraag), evenals de vraag of er verschillende categorieën verzoekers zijn in de zin van artikel 15. Deze laatste vraag wordt met name gesteld omdat volgens de verwijzende rechter “forum-shopping” door verzoekers moet worden vermeden, en een categorisatie van verzoekers die hier wel en niet in hebben deelgenomen zou het verzoekproces versnellen.

 

Prejudiciële vragen:

C-322/19:

1) Wanneer bij de uitlegging van een instrument van EU-recht dat in een bepaalde lidstaat van toepassing is, tegelijkertijd een in deze lidstaat niet-toepasselijk instrument wordt aangenomen, kan dan bij de uitlegging van het eerste instrument rekening worden gehouden met dit tweede instrument?

2) Is artikel 15 van de richtlijn opvangvoorzieningen (herschikking) 2013/33/EU van toepassing op personen ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit krachtens verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: „Dublin III-verordening”) is vastgesteld?

3) Is een lidstaat bij de tenuitvoerlegging van artikel 15 van de richtlijn opvangvoorzieningen (herschikking) 2013/33/EU gerechtigd om een algemene maatregel vast te stellen die eventuele vertragingen bij of na het nemen van een overdrachtsbesluit in feite toeschrijft aan verzoekers die in aanmerking komen voor overdracht krachtens de Dublin III-verordening?

4) Wanneer een verzoeker een lidstaat verlaat nadat hij of zij daar niet om internationale bescherming heeft verzocht en naar een andere lidstaat reist waar hij of zij een verzoek om internationale bescherming indient, en jegens hen een beslissing krachtens de Dublin III-verordening wordt vastgesteld, waardoor hij of zij wordt teruggezonden naar de eerste lidstaat, kan de daaruit voortvloeiende vertraging bij de behandeling van het verzoek om bescherming dan aan de verzoeker worden geweten in de zin van artikel 15 van de richtlijn opvangvoorzieningen (herschikking) 2013/33/EU?

5) Wanneer een verzoeker krachtens de Dublin III-verordening in aanmerking komt voor overdracht naar een andere lidstaat, maar deze overdracht wordt vertraagd als gevolg van een door de verzoeker ingestelde procedure voor rechterlijke toetsing, die tot gevolg heeft dat de overdracht wordt opgeschort overeenkomstig een schorsing op bevel van de rechter, kan de daaruit voortvloeiende vertraging bij de behandeling van het verzoek om bescherming dan aan de verzoeker worden geweten in de zin van artikel 15 van de richtlijn opvangvoorzieningen 2013/33/EU, hetzij in het algemeen of, specifiek, wanneer in die procedures wordt vastgesteld dat de rechterlijke toetsing kennelijk of anderszins ongegrond is of misbruik van procedure vormt?

 

C-385/19:

1) Beoogt artikel 15 van de richtlijn opvangvoorzieningen (herschikking) onderscheid te maken tussen verschillende categorieën verzoekers?

2) Welk soort gedrag wordt beschouwd als aan de verzoeker te wijten vertraging in de zin van artikel 15, lid 1, van de richtlijn opvangvoorzieningen (herschikking)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: The Minister for Justice and Equality en Commissioner of An Garda Siochana, C-378/17; Cimade en GISTI, C-179/11;

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB