C-329/19 Condominio di Milano

C-329/19 Condominio di Milano

Prejudiciële hofzaa k


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 1 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 17 augustus 2019

Trefwoorden : consument; oneerlijk beding; rentevoet

Onderwerp :

- Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

- Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten;

 

Feiten:

Aan Condominio di Milano is een formeel bevel tot betaling betekend, waarbij de vennootschap Eurothermo betaling van een bedrag van 21 025,43 EUR aan vertragingsrente vordert. Deze hoegrootheid van de rente was bepaald in de algemene voorwaarden van de door partijen aanvankelijk gesloten overeenkomst, die door Eurothermo zijn opgesteld en door Condominio zijn aanvaard. Naar de rente was ook uitdrukkelijk verwezen in de daarop volgende bemiddelingsovereenkomst die deze partijen op 14.11.2014 hebben ondertekend in het bijzijn van hun advocaten. Volgens die overeenkomst bedroeg het door Condiminio verschuldigde bedrag in hoofdsom 71 392,31 EUR, te vermeerderen met de rente, ten bedrage van 15 648,62 EUR, betaalbaar in maandelijkse termijnen van 5000 EUR. In de bemiddelingsovereenkomst werd de rente op dezelfde wijze berekend als in de oorspronkelijke overeenkomst, waarin de rentevoet was bepaald op 9,25% (hetgeen meer is dan de wettelijke rentevoet) en was voorzien in een algehele afrekening op het tijdstip van de eindbetaling. Daarop heeft Condiminio de verschuldigde termijnen betaald tot het beloop van de volledige hoofdsom en een deel van de rente, zoals was bepaald in de bemiddelingsovereenkomst. Als een gevolg van de niet-betaling van de termijn voor februari 2016 heeft Eurothermo het formele bevel tot betaling van vertragingsrente betekend, berekend tegen het tarief van 9.25% voor de periode van 01.02.2011 (datum van sluiting van de oorspronkelijke overeenkomst) tot 17.02.2016 (datum van niet-betaling van de maandelijkse termijn). Condiminio heeft tegen dit bevel bezwaar gemaakt bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat het bestreden beding oneerlijk is in de zin van de Italiaanse consumentenbeschermingsregeling. Dit is echter alleen van toepassing wanneer een vereniging van mede-eigenaars van een appartementsgebouw kan worden beschouwd als een “consument”. De verwijzende rechter twijfelt, omdat het begrip in het Unierecht letterlijk ziet op de natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn eventuele bedrijfs-of beroepsactiviteit vallen. Het Hof kijkt echter vooral naar de vraag of deze partijen bij het sluiten van de overeenkomst handelden in het kader van hun beroepsactiviteit, ook vanuit de logica die ten grondslag ligt aan consumentenbescherming, namelijk de zwakkere positie van de consument ten opzichte van de handelaar. De verwijzende rechter twijfelt omdat het onderscheid tussen natuurlijke persoon en rechtspersoon te beperkt is, aangezien geen rekening wordt gehouden met het bestaan van bepaalde subjecten die niet onder die noemer terug te brengen zijn.

 

Prejudiciële vraag:

Staat het begrip „consument”, in de zin van richtlijn 93/13/EEG, eraan in de weg dat een subject (zoals een vereniging van mede-eigenaars van een appartementsgebouw of een condominio naar Italiaans recht) dat een natuurlijke noch een rechtspersoon is, wordt beschouwd als een consument wanneer dit subject een overeenkomst sluit voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen en zich ten aanzien van de handelaar in een ondergeschikte positie bevindt, zowel wat betreft zijn onderhandelingsmacht als wat betreft de mate waarin het over informatie kan beschikken?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-541/99 en C-542/99; C-74/15; C-537/13; C-488/11; C-168/05; C-169/14; Banco Espanol de Crédito, C-618/10; C-110/14

Specifiek beleidsterrein: EZK