C-33/20 Volkswagen Bank

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).                                                                      

Termijnen: Motivering departement:     20 maart 2020

Schriftelijke opmerkingen:                        6 mei 2020

Trefwoorden :  kredietovereenkomst, consumenten, vertragingsrentevoet

Onderwerp :

Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad.

 

Feiten:

Verzoeker heeft op 19-12-2015 een kredietovereenkomst gesloten met verweerster voor een netto-kredietbedrag van 10 671,63 EUR ten behoeve van de aankoop van een auto voor particulier gebruik. Verkoopster van het voertuig was een autodealer in Duitsland. De aankoopprijs bedroeg 15 200 EUR. In de kredietovereenkomst werd overeengekomen dat verzoeker het geleende bedrag vanaf 15-02-2016 in 48 gelijke maandelijkse termijnen en een laatste termijn op 16-02-2020 moest aflossen. Verzoeker heeft de overeengekomen termijnen regelmatig betaald. Bij brief van 22-01-2019 heeft hij echter zijn wilsverklaring om de kredietovereenkomst te sluiten herroepen. Verzoeker is van mening dat de kredietovereenkomst bij de herroeping van 22-01-2019 is omgezet in een terugbetalingsverplichting. Met zijn beroep wil verzoeker doen vaststellen dat hij vanaf die datum niet langer verplicht is om de krediettermijnen te betalen. Ook wil hij dat verweerster de eerder aan haar betaalde krediettermijnen en de aanbetaling aan verkoopster terugbetaalt, beide in ruil voor de teruggave van de gekochte auto. Verweerster acht de kennisgeving van de herroeping tardief en bijgevolg ongeldig.

 

Overweging:

De geldigheid van de herroepingsverklaring van verzoeker vereist dat de door het Duits burgerlijk wetboek, voorgeschreven herroepingstermijn van twee weken bij de herroeping op 22-01-2019 nog niet verstreken was. De herroepingstermijn begint evenwel niet te lopen wanneer de door de Duitse wet tot invoering van het burgerlijk wetboek verplicht gestelde informatie niet volledig is opgenomen in de kredietovereenkomst. In het onderhavige geval zou met name van ontbrekende verplichte informatie kunnen worden uitgegaan, wanneer ten minste een van de verplichte inlichtingen als bedoeld in artikel 10, lid 2, onder l), r) of s), van richtlijn 2008/48 niet naar behoren in de kredietovereenkomst is opgenomen. De rechter vraagt zich daarom af hoe deze bepalingen moeten worden uitgelegd. De verwijzende rechter geeft aan dat alle prejudiciële vragen van doorslaggevend belang zijn. Wordt een van de vragen bevestigend beantwoord, dan is de door de Duitse wetgeving voorgeschreven verplichte informatie in het onderhavige geval niet volledig verstrekt en heeft verzoeker op tijd en geldig van zijn herroepingsrecht gebruik gemaakt.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 10, lid 2, onder l), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad aldus worden uitgelegd dat in de kredietovereenkomst

a) de bij het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet in absolute cijfers moet worden meegedeeld, althans op zijn minst de geldende referentierentevoet (in dit geval de basisrente volgens § 247 BGB) aan de hand waarvan de geldende vertragingsrentevoet kan worden vastgesteld door een opslag (in casu van vijf procentpunten overeenkomstig § 288, lid 1, tweede volzin, BGB)?

b) concrete informatie moet worden gegeven over het mechanisme voor de aanpassing van de vertragingsrentevoet, althans op zijn minst moet worden verwezen naar de nationale bepalingen waaruit de aanpassing van de vertragingsrentevoet kan worden afgeleid (§§ 247, 288, lid 1, tweede volzin, BGB)?

2) Moet artikel 10, lid 2, onder r), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat de kredietovereenkomst een concrete, voor de consument begrijpelijke methode voor de vaststelling van de aflossingsboete moet bevatten, zodat de consument het bedrag van de aflossingsboete op zijn minst bij benadering kan berekenen?

3) Moet artikel 10, lid 2, onder s), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat in de kredietovereenkomst

a) ook de in het nationale recht geregelde rechten van beëindiging van de partijen bij de kredietovereenkomst, in het bijzonder ook het recht van de kredietnemer tot beëindiging wegens gewichtige redenen als bedoeld in § 314 BGB in het geval van kredietovereenkomsten van bepaalde duur, moeten worden vermeld?

b) bij alle rechten van beëindiging van de partijen bij de kredietovereenkomst moet worden gewezen op de respectieve vorm- en termijnvereisten van de beëindigingsverklaring bij de uitoefening van het recht van beëindiging?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein:  EZK

Gerelateerde documenten