C-333/19 European Food e.a.

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 1 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 17 augustus 2019

Trefwoorden : ICSID-scheidsuitspraak, executoriaal beslag, staatssteunmaatregelen

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU;

- Besluit (EU) 2015/1470 van 30 maart 2015 betreffende steunmaatregel SA.38517 (2014/C) (ex 2014/NN) ten uitvoer gelegd door Roemenië - scheidsrechterlijke uitspraak Micula/Roemenië van 11 december 2013;

- Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten (gesloten te Washington op 18 maart 1965 onder auspiciën van de Wereldbank en goedgekeurd in België bij wet van 17 juli 1970);

 

Feiten:

Op 11.12.2013 heeft een scheidsgerecht onder het ICSID een uitspraak ten faveure van appellanten (European Food e.a.) gedaan die vordert dat Roemenië een schadevergoeding van €178 miljoen betaalt aan appellanten. Tegen deze uitspraak is beroep tot nietigverklaring ingesteld dat op 26.2.2016 is verworpen. CIE heeft bij het scheidsgerecht geïntervenieerd als amicus curiae. Op 26.5.2014 heeft de CIE besluit C (2014) 3192 vastgesteld waarbij ROE verplicht werd tot opschorten van uitvoering/executie van de scheidsuitspraak omdat betaling hiervan onwettige staatssteun in zou houden, tot het moment dat CIE definitief besluit hierover genomen had. Hierna besloot de CIE per Besluit 2015/1470 tot verbieden van uitbetaling omdat het onverenigbare staatssteun vormt in de zin van artikel 107(1) VWEU. Tegen dit besluit zijn nietigverklaringsprocedures aanhangig (T-624/15, T-694/15, en T-704/15). Op 19.8.2015 heeft appellant de scheidsuitspraak - voorzien van executoriale formule - aan Roemenië gestuurd overeenkomstig het ICSID-verdrag. Op 9.9.2015 heeft appellant in België derdenbeslag gelegd onder Eurocontrol op alle bedragen die Eurocontrol verschuldigd is of wordt (ongeveer €85 miljoen) aan Roemenië of Romatsa (staatsonderneming luchtverkeer, geïntimeerden). Geïntimeerden stellen op 23.9.2015 en 24.9.2015 verzet in tegen het derdenbeslag bij rechtbank in eerste instantie, CIE intervenieert op vrijwillige basis (artikel 23bis van verordening 659/1999) aan zijde van Roemenië. Op 25.1.2016 heeft rechter in eerste instantie opheffing van het beslag gelast. Appellanten stellen hiertegen beroep in op 29.2.2016 (onderhavig geschil).

 

Overweging:

Appellanten stellen dat besluit 2015/1470 geen gedwongen tenuitvoerlegging van de scheidsuitspraak in België verbiedt, en dat enkele overdracht van staatsmiddelen niet volstaat om als steunmaatregel te worden aangemerkt. Tenuitvoerlegging in België kan niet aan Roemenië worden toegerekend, en is dus niet in strijd met het besluit van CIE. Roemenië en CIE verzoeken tot verklaring van niet-ontvankelijkheid en ongegrondheid van de beroepen, en subsidiair het schorsen in afwachting van bovengenoemde procedures. De verwijzende rechter stelt dat scheidsrechtelijke ICSID-uitspraak een rechtsgeldige executoriale titel is, wanneer zij voorzien is van executoriale formule. Met zijn vragen wil de verwijzende rechter weten hoe het CIE-besluit zich verhoudt tot de executoriale betaling. Daarnaast wil de rechter weten hoe de onderhavige procedure zich verhoudt tot de procedures die de nietigheid vorderen van het besluit dat dit beslag in de weg staat. Tot slot wil de verwijzende rechter weten hoe het CIE-besluit zich verhoudt tot de finale uitspraak van het ICSID-scheidsgericht in het kader van loyale samenwerking en het beginsel van gezag van gewijsde.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet besluit (EU) 2015/1470 van de Europese Commissie van 30 maart 2015 betreffende steunmaatregel SA.38517 (2014/C) (ex 2014/NN) aldus worden begrepen dat het ziet op de door Roemenië verschuldigde betalingen, zelfs indien deze te zijnen laste worden ingevorderd naar aanleiding van een bij de gerechten van een andere lidstaat dan Roemenië ingestelde procedure van gedwongen tenuitvoerlegging van de scheidsrechterlijke uitspraak van het ICSID van 11 december 2013?

2) Vereist het Unierecht als zodanig en ambtshalve dat een gerecht van een lidstaat (niet zijnde Roemenië) waarbij een beroep is ingediend tegen een procedure van gedwongen tenuitvoerlegging van een scheidsrechterlijke uitspraak van het ICSID, die volgens de procedurele bepalingen van die lidstaat kracht van gewijsde heeft, die uitspraak buiten toepassing laat op de enkele grond dat een niet-definitief besluit van de Europese Commissie dat na de uitspraak is vastgesteld, deze gedwongen tenuitvoerlegging van de uitspraak in strijd met de Europese staatssteunregeling acht?

3) Staat het Unierecht, met name het beginsel van loyale samenwerking of het beginsel van gezag van gewijsde, toe dat een nationaal gerecht van een lidstaat (niet zijnde Roemenië) zijn uit het ICSID-Verdrag voortvloeiende internationale verplichtingen niet nakomt indien de Europese Commissie na de uitspraak een besluit heeft vastgesteld dat de gedwongen tenuitvoerlegging ervan in strijd met de Europese staatssteunregeling acht, ook al heeft de Europese Commissie deelgenomen aan de scheidsrechterlijke procedure (daaronder begrepen het beroep tot nietigverklaring van de uitspraak) en middelen aangevoerd met betrekking tot de Europese staatssteunregeling?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Frankrijk/Commissie C-482/99; Denkavit italiana, C-61/79

Specifiek beleidsterrein: EZK, BZ, JenV, FIN