C-334/19 Eurowings

C-334/19 Eurowings

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).


Termijnen: Motivering departement: 26 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 12 augustus 2019

Trefwoorden: compensatie luchtreiziger; wilde staking

Onderwerp:

- Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: luchtreizigersverordening);

 

Feiten:

Verzoekers hadden bij verweerster een vlucht van Rhodos naar Stuttgart geboekt. Volgens de planning had deze vlucht op 12.09.2017 om 22.35 uur in Stuttgart moeten arriveren. In feite is het vliegtuig pas de volgende dag om 15.36 uur in Stuttgart geland. De vlucht zou worden uitgevoerd met een vliegtuig van Air Berlin, dat verweerster samen met zijn bemanning had gehuurd in het kader van een “wet lease”. Verzoekers hebben verweerster verzocht om betaling van compensatie. Verweerster heeft dit bij brief van 07.12.2017 geweigerd, aangezien zij vond dat het vluchtpersoneel van Air Berlin verantwoordelijk was voor het massale ziekteverzuim op 12.09.2017. Vervolgens hebben de vertegenwoordigers van verzoekers bij brief van 22.01.2018 verweerster om betaling van een compensatie verzocht. Wederom is verweerster daar niet op ingegaan. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering van verzoekers toegewezen. Verweerster heeft hoger beroep ingesteld en verzoekers verzoeken om verwerping van dat hoger beroep.

 

Overweging:

Partijen zijn het er niet over eens of verweerster moet worden beschouwd als de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert in de zin van artikel 2b) van de luchtreizigersverordening en bijgevolg in rechte kan worden aangesproken. En of zij zich, gelet op het door haar aangehaalde massale ziekteverzuim bij Air Berlin, kan beroepen op buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5(3) van de luchtreizigersverordening. Gelet op de ziekmeldingen van een significant deel van het cabinepersoneel bij Air Berlin en met name gelet op het door verweerster overgelegde artikel van tagesschau.de van 12.09.2017, dat aangeeft dat het spontane ziekteverzuim terug te voeren is op een geschil over de verkoop van Air Berlin, gaat de verwijzende rechter van een “gecoördineerde actie” en bijgevolg van een “wilde staking” uit. Het is de vraag of ook verweerster zich niet op “buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 5(3) van de luchtreizigersverordening kan beroepen omdat haar als de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, die de operationele verantwoordelijkheid draagt, deze “wilde staking” wordt toegerekend alsof dit een “wilde staking” van haar eigen cabinepersoneel was. In dat geval heeft het hoger beroep geen kans van slagen.

 

Prejudiciële vraag:

Moeten de bepalingen – met name artikel 5, lid 3, – van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van

vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, aldus worden uitgelegd dat de uit ziekmeldingen resulterende spontane afwezigheid van een significant deel van het cabinepersoneel („wilde staking”) bij de luchtvaartmaatschappij die op grond van een overeenkomst betreffende de huur van een vliegtuig met bemanning („wet lease”) het vliegtuig met bemanning verhuurt aan de „luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert” in de zin van artikel 2, onder b), van de verordening, maar niet de operationele verantwoordelijkheid voor de vluchten draagt, ertoe leidt dat ook de „luchtvaa rtmaatschappij die de vlucht uitvoert” zich niet op „buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 5, lid 3, van de verordening kan beroepen in overeenstemming met [het arrest van 17 april 2018, C-195/17, C-197/17 tot en met C-203/17, C-226/17, C-228/17, C-254/17, C-274/17, C-275/17, C-278/17 tot en met C-286/17 en C-290/17 tot en met C-292/17, EU:C:2018:258]?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-195/17, C-197/17 tot en met C-203/17, C-226/17, C-228/17, C-254/17, C-274/17, C-275/17, C-278/17 tot en met C-286/17 en C-290/17 tot en met C-292/17;

Specifiek beleidsterrein: IenW