C-335/19 E.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 17 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 3 september 2019

Trefwoorden : btw; oninbare vordering; insolventie

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

 

Feiten:

E. is geregistreerd als actief btw-plichtige en verstrekt onder bezwarende titel belastingadviesdiensten, zij beschouwt de vergoeding voor de geleverde diensten als de maatstaf van heffing. Voor de door haar verrichte en in Polen belaste belastingadviesdiensten heeft E. een btw-factuur aan haar contractpartij uitgereikt die nog niet is betaald. De schuldenaar stond op de datum van verlening van de dienst geregistreerd als actief btw-plichtige en was destijds nog niet in een insolventieprocedure verwikkeld. De schuldenaar verkeert momenteel in liquidatie. Daarom vroeg E. aan de minister van Financiën of zij de maatstaf van heffing en de verschuldigde belasting onder deze omstandigheden mag aanpassen. Volgens de minister is een van de voorwaarden voor het in artikel 89a van de btw-wet geregelde recht om de maatstaf van heffing en de verschuldigde belasting aan te passen, niet vervuld. De niet-naleving van een van de basisvoorwaarden zou de belastingplichtige niet de mogelijkheid geven om de regeling inzake “oninbare vorderingen” rechtstreeks uit het Unierecht af te leiden. E. heeft hiertegen beroep ingesteld bij de bestuursrechter in eerste aanleg die het beroep heeft verworpen. Volgens deze rechter biedt alleen de cumulatieve vervulling van alle voorwaarden van artikel 89a(2) van de btw-wet de mogelijkheid om de verschuldigde belasting aan te passen, wat in de onderhavige zaak niet het geval was. E. heeft hiertegen cassatieberoep ingesteld.

 

Overweging:

Met het oog op een gezamenlijke behandeling heeft de hoogste bestuursrechter (hierna: NSA) deze zaak gevoegd met drie andere zaken. In al deze zaken heeft E. verzocht om een individuele interpretatie. De kern van het probleem heeft betrekking op de verenigbaarheid met het Unierecht van de voorwaarden van de Poolse wettelijke regeling inzake oninbare vorderingen, gelet op de mogelijke feitelijke gevallen waarop artikel 89a van de btw-wet van toepassing is. Bij de verwijzende rechter zijn twijfels gerezen over de reikwijdte van de aan de lidstaten verleende discretionaire bevoegdheid bij het bepalen van de voorwaarden van de nationale wetgeving om in aanmerking te komen voor de regeling van artikel 90 van de btw-richtlijn.

 

Prejudiciële vragen:

1) Staan de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1) en met name artikel 90, lid 2, daarvan, gelet op de beginselen van fiscale neutraliteit en evenredigheid, toe dat de mogelijkheid om de maatstaf van heffing te verlagen in de nationale wetgeving wordt beperkt in geval van gedeeltelijke of gehele niet-betaling op grond van de specifieke fiscale status van de schuldenaar en de schuldeiser?

2) Meer in het bijzonder: staat het Unierecht in de weg aan de instelling in het nationale recht van een regeling inzake „oninbare vorderingen”, waarvan kan worden gebruikgemaakt op voorwaarde dat op de datum van verrichting van de dienst/levering van de goederen en op de dag vóór de indiening van de aanpassing van de belastingaangifte met het oog op de gebruikmaking van deze vrijstelling:

- de schuldenaar niet in een insolventieprocedure is verwikkeld of in liquidatie verkeert?

- de schuldeiser en de schuldenaar als actief btw-plichtige geregistreerd zijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-337/13; C-246/16;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; JenV