C-34/19 Telecom Italia

C-34/19 Telecom Italia

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 8 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 22 april 2019

Trefwoorden : liberalisering; exclusieve rechten; concessieheffingen

Onderwerp :

- Richtlijn 97/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 april 1997 betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten

 

Feiten:

Het Ministerie van Communicatie heeft in 2003 een besluit vastgesteld waarbij het bij de concessiehouder van de openbare telecommunicatie, Telecom Italia, de concessieheffingen van belastingjaren 1997 en 1998 vordert. Telecom Italia heeft voor de verwijzende rechter een beroep tot nietigverklaring van dit besluit geëist. Telecom Italia stelt zich op het standpunt dat voor het jaar 1998 geen enkel bedrag is verschuldigd, omdat de liberalisering van de telecommunicatiesector op 31 december 1997 is voltooid. Alle speciale en exclusieve rechten van historische exploitanten zijn daarmee tenietgegaan, dus ook de daaraan verbonden financiële verplichtingen. Telecom Italia stelt bovendien dat het antwoord op de vraag of het de heffingen verschuldigd is al beantwoord is in eerdere Hofuitspraken, waaronder in een over hetzelfde besluit als in deze zaak, uit 2006. In die uitspraak oordeelde het Hof dat de heffing niet verschuldigd was. Het is volgens het Hof namelijk in strijd met Richtlijn 97/13/EG om heffingen te innen op concessies zonder dat er een is verband tussen de heffing en de voorwaarden voor die concessie. Echter, de hoogste administratieve rechter in Italië heeft die uitspraak zo uitgelegd dat Telecom Italia wel degelijk de heffing moet betalen. Er zou namelijk wel een verband zijn tussen de heffing en de voorwaarden van de concessies.

 

Overweging:

Hoewel het Hof reeds lijkt te hebben geantwoord op de prejudiciële vragen bestaan er bij de verwijzende rechter twijfels over de betalingsverplichting van Telecom Italia. De hoogste administratieve rechter heeft namelijk wel een verband gezien tussen de heffing en de voorwaarden van de concessies, waardoor Telecom Italia de heffing wel verschuldigd is.

 

Prejudiciële vragen:

  1. Kan artikel 22, lid 3, van richtlijn 97/13/EG aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan ook voor het jaar 1998 de verplichting mag blijven bestaan tot betaling van een heffing of een ander bedrag dat – aangezien het is gebaseerd op hetzelfde deel van de omzet – overeenkomt met het bedrag dat verschuldigd was op grond van de regeling die gold voordat deze richtlijn in werking trad?
  2. Staat richtlijn 97/13/EG, gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 18 september 2003 in de gevoegde zaken C-292/01 en C-293/01, en 21 februari 2008 in zaak C-296/06, in de weg aan een in gezag van gewijsde gegane uitspraak die het gevolg is van een onjuiste uitlegging en/of een schending van deze richtlijn, zodat deze uitspraak buiten toepassing kan worden gelaten door een tweede rechter die wordt verzocht te oordelen over een geschil dat op dezelfde inhoudelijke rechtsbetrekking is gebaseerd, maar daarvan verschilt gezien de accessoire aard van de betaling die wordt gevorderd ten opzichte van de betaling die voorwerp was van het geding waarin de in gezag van gewijsde gegane uitspraak is gedaan?”

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Gevoegde zaken C-292/01 en C-293/01 (Albacom en Infostrada); C-296/06 (Telecom Italia)

Specifiek beleidsterrein: EZK, FIN