C-343/19 Verein für Konsumenteninformation

C-343/19 Verein für Konsumenteninformation

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 25 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 11 augustus 2019

Trefwoorden : rechtsmacht; schadevergoeding;

Onderwerp :

- Verordening 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

 

Feiten:

Verzoekster is een consumentenorganisatie zonder winstoogmerk in de rechtsvorm van een vereniging naar Oostenrijks recht. Verzoekster maakt schadeclaims van 574 kopers van motorvoertuigen geldend tegen verweerster. Daarnaast vordert zij vaststelling van de aansprakelijkheid van verweerster voor nog niet te becijferen schade omdat de inbouw van een motor in de gekochte voertuigen in strijd is met het Unierecht. Verweerster is een constructeur van motorvoertuigen in de rechtsvorm van een naamloze vennootschap naar Duits recht. Verweerster is geregistreerd in het handelsregister van de Duitse rechter. Verzoekster voert aan dat alle in de schadeclaim genoemde consumenten, voorafgaand aan de openbare bekendmaking van de uitstootmanipulaties door VW, in Oostenrijk nieuwe of gebruikte voertuigen hebben aangekocht die telkens waren uitgerust met een door verweerster ontwikkelde motor. Deze motoren zijn voorzien van een omschakellogica die verboden is op grond van verordening 715/2007. Alleen met behulp van manipulatiesoftware is verweerster erin geslaagd om een EU-typegoedkeuring te verkrijgen voor voertuigen met deze motor. De aan de voertuigbezitters berokkende schade bestaat erin dat, mochten zij kennis hebben gehad van de gestelde manipulatie, zij de voertuigen helemaal niet of minstens tegen een 30% lagere prijs zouden hebben gekocht. De voertuigen hebben van meet af aan gebreken vertoond en hun waarde lag dan ook aanmerkelijk lager dan door verweerster beweerd. De marktwaarde van een gemanipuleerd voertuig is aanzienlijk minder dan de in werkelijkheid betaalde aankoopprijs. Daarnaast is volgens verzoekster de berokkende schade nog groter geworden als gevolg van een hoger brandstofverbruik, slechtere rij-of motorprestaties en/of een hogere slijtage, naast de vermindering van de marktwaarde. Daarnaast moet worden gevreesd voor andere schade, zoals bijvoorbeeld een rijverbod voor de desbetreffende voertuigen of de intrekking van de goedkeuring. Deze schade kan nog niet worden becijferd of heeft zich nog niet voorgedaan.

 

Overweging:

Uit de aangehaalde rechtspraak van het Hof kan de verwijzende rechter afleiden dat alleen rechtstreeks getroffenen zich op de bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit onrechtmatige daad kunnen beroepen, voor zover zij primaire schade en niet loutere gevolgschade geldend maken. De verwijzende rechter betwijfelt of aan artikel 7, punt 2, van de EEX-verordening een bevoegdheid kan worden ontleend ten aanzien van zuivere vermogensschade voortvloeiend uit een onrechtmatige daad. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of de loutere aankoop bij Oostenrijkse autodealers en de overhandiging van de voertuigen in Oostenrijk op zich toereikend zijn om bevoegdheid toe te kennen aan de Oostenrijkse gerechten. Tot slot betwijfelt de verwijzende rechter of de erkenning van de internationale bevoegdheid van de Oostenrijkse rechter verenigbaar is met de strikte uitlegging die in de rechtspraak van het Hof aan de bijzondere bevoegdheidsregels van de EEX-verordening is gegeven.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, aldus worden uitgelegd dat „de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” in omstandigheden als die in het hoofdgeding kan worden aangemerkt als de plaats in een lidstaat waar de schade is ingetreden, wanneer deze schade uitsluitend bestaat in een financieel verlies dat rechtstreeks voortvloeit uit een onrechtmatige daad die in een andere lidstaat heeft plaatsgevonden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Bier/Mines de Potasse d'Alsace, C-21/76; SA/Hessische Landesbank, C-220/88;  C-364/93; C-168/02 C-375/13; Universal Music C-12/15; C-304/17; C-45/13

Specifiek beleidsterrein: JenV; EZK