C-344/19 Radiotelevizija Slovenija

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 25 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 11 augustus 2019

Trefwoorden : arbeidstijd; permanente bereikbaarheid;

Onderwerp :

- Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd

 

Feiten:

Verzoeker is in dienstverband werkzaam geweest bij enkele zendcentra als technicus gespecialiseerd in transmissies. Door de aard van het werk, de afstand tussen de zendcentra en zijn woonplaats en de moeilijke toegankelijkheid van de zendcentra, had hij zich genoodzaakt gezien om dicht bij de plaats van de installaties te verblijven. Verweerster had ervoor gezorgd dat de werknemers konden verblijven in een onderkomen in het zendcentra. In de zendcentra waren twee technici tegelijkertijd aan het werk, die elkaar aflosten. Na afloop van hun werkzaamheden konden de twee technici uitrusten in de woonkamer of vrijetijdsactiviteiten in de buurt uitoefenen. De twee werknemers werkten in twee ploegen; 6 tot 18 uur en 12 tot 24 uur. Dit vereiste de aanwezigheid op de werkplek en omvatte gemiddeld twee tot drie werkelijke werkuren, terwijl de werknemers de resterende tijd zaten te wachten op een eventueel alarm om eventueel in te grijpen. Verweerster kende aan verzoeker een salaris toe voor de twaalf uur normale arbeid. Zij nam de periode van middernacht tot 6 uur ’s morgens in aanmerking als rusttijd waarvoor zij geen vergoeding uitkeerde en beschouwde de resterende zes uur waarover de dagdienst zich niet uitstrekte als een periode van permanente bereikbaarheid. De werknemer die geen dienst had mocht, zonder enige beperking, het transmissiecentrum verlaten. Hij diende bereikbaar te zijn en zo nodig binnen een uur naar zijn werkplek terug te keren. Daarvoor werd een salaristoeslag van 20% van het basissalaris toegekend. Wanneer de werknemer tijdens die bereikbaarheidsperiode daadwerkelijk moest ingrijpen (en daarvoor naar zijn werkplek moest terugkeren), werd de gewerkte tijd als normale arbeid in aanmerking genomen en vergoed. Verweerster heeft verzoeker het salaris en de toeslagen uit hoofde van haar arbeidstijdregeling uitgekeerd. De arbeidstijdregeling bepaalt dat de permanente bereikbaarheid niet als arbeidstijd in aanmerking wordt genomen. Verzoeker verzet zich hiertegen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter is zich bewust van het feit dat de kwestie van de vergoeding niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/88 valt, maar stelt dat uitlegging evenwel nodig is. De verwijzende rechter merkt op dat de jurisprudentie van het Hof geen antwoord biedt, aangezien de reden waarom verzoeker leefde op de plaats waar hij werkte niet schuilde in het feit dat hij tijdens de bereikbaarheidsperiode beschikbaar moest zijn, maar wel in de geografische kenmerken van de plaats waar hij werkzaam was.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 2 van richtlijn 2003/88 aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als in de onderhavige zaak de periode van permanente bereikbaarheid waarin de in een zendstation voor radio- en televisieuitzendingen werkzame werknemer, in de tijd waarin hij vrij is (wanneer hij niet fysiek aanwezig hoeft te zijn op de werkplek), op oproep bereikbaar moet zijn en zo nodig binnen een uur op zijn werkplek moet arriveren, als arbeidstijd wordt beschouwd?

2. Is in omstandigheden als in de onderhavige zaak het feit dat de werknemer verblijft in een onderkomen dat is ingericht op de plaats waar hij zijn arbeid verricht (een zendstation voor radio- en televisie-uitzendingen), aangezien het wegens de geografische kenmerken van de plaats voor hem onmogelijk (of heel moeilijk) is om elke dag naar huis („beneden in de vallei”) terug te keren, van invloed op de bepaling van de aard van de permanente bereikbaarheid?

3. Luidt het antwoord op de twee voornoemde vragen anders wanneer het gaat om een plaats waar door de geografische kenmerken van de plaats weinig mogelijkheden zijn voor vrijetijdsactiviteiten, of de werknemer aanzienlijke beperkingen ondervindt om zijn vrije tijd in te vullen of om zich met zijn eigen interesses bezig te houden (waarvan geen sprake zou zijn indien hij thuis zou wonen)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-303/98; C-151/02; C-266/14; C-518/15

Specifiek beleidsterrein: SZW