C-357/19 Euro Box Promotion

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 3 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 19 augustus 2019

Trefwoorden : Rechtsstaat, onafhankelijkheid, fraudesancties

Onderwerp :

- VEU, artikel 19, lid 1;

- VWEU, artikel 325, lid 1;

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

- Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen;

- Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;

 

Feiten:

Op 5.6.2018 heeft een kamer van 5 rechters – bestaande uit de president van de strafkamer en 4 andere rechters bij loting benoemd – van de ICCJ (hoogste rechterlijke macht in ROE) uitspraak gedaan op het hoger beroep tegen de beslissing van 28.3.2017 van de strafkamer van ICCJ, waarbij veroordelingen zijn uitgesproken voor corruptie, ambtsmisbruik en belastingontduiking van een minister en enkele personen uit haar nabije omgeving in de periode tussen 2010 en 2012. Zij ontvingen geldsommen van bedrijven om te zorgen dat deze bedrijven tijdig werden betaald met gelden uit het budget van het ministerie terwijl de begrotingsmiddelen schaars waren, hebben fondsen uit hoofde van een EU-programma foutief verstrekt waardoor het ministerie 8 miljoen RON schade had, en ontdoken belasting. Enkele vrijheidsstraffen zijn ten uitvoer gelegd, waarvan een deel met voorwaardelijke opschorting van tenuitvoerlegging. Op 7.11.2018 was er een arrest van de Curtea Constitutionala waarin wordt gesteld dat kamers van 5 rechters, al deze rechters uit een loting moeten komen en dat tegen uitspraken die gedaan zijn door zulke kamers van de ICCJ nog een buitengewoon rechtsmiddel kan worden ingesteld, ook al zijn deze zaken afgesloten (maar de termijnen niet verstreken). Naar aanleiding van dit arrest stellen verzoekers (ICCJ en minister) buitengewoon beroep tot vernietiging in bij de ICCJ.

 

Overweging:

Met de prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen of de bepalingen ten aanzien waarvan om uitlegging wordt verzocht en het rechtszekerheidsbeginsel in de weg staan aan de toepassing door de nationale rechter van een beslissing die is uitgesproken door een instantie die geen deel uitmaakt van het gerechtelijk systeem en waarbij wordt geoordeeld over de gegrondheid van een buitengewoon beroep, in de zin dat de uitspraken die vóór de uitspraak van die beslissing definitief zijn geworden, moeten worden vernietigd en dat de oorspronkelijke tenlastelegging ter discussie wordt gesteld door de zaak in hoger beroep terug te verwijzen. Daarnaast stelt de verwijzende rechter de tweede vraag omdat hij uitsluitsel wil over de vraag of de vaststelling door het Curtea Constitutionala dat de president van het ICCJ geen onafhankelijke rechter is, in strijd is met het Handvest. Tot slot wil de verwijzende rechter weten of het Unierecht, en de voorrang die daaraan wordt gegeven, zich verzet tegen een nationale rechter die niet tot de rechtsorde behoort maar wel erga omnes uitspraken doet en of de verwijzende rechter deze uitspraak naast zich neer mag leggen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 325, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 1, lid 1, onder a) en b), en artikel 2, lid 1, van de op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgestelde overeenkomst betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en het rechtszekerheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een beslissing van een orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht, de Curtea Constituțională a României (grondwettelijk hof, Roemenië), waarbij uitspraak wordt gedaan over de wettigheid van de samenstelling van rechterlijke colleges en aldus de voorwaarden worden geschapen voor de toewijzing van buitengewone beroepen tegen de in een bepaalde periode uitgesproken definitieve rechterlijke beslissingen?

2) Moet artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de – in het nationaal recht bindende – vaststelling, door een orgaan dat geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht, van het gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een rechterlijk college waarvan een rechter, die een directiefunctie bekleedt, niet bij loting is benoemd, maar op basis van een bij de partijen bekende transparante regel die door hen niet wordt betwist en die van toepassing is op alle door die kamer behandelde zaken?

3) Moet de voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter op grond daarvan een volgens het nationaal recht bindende beslissing van de constitutionele rechter, uitgesproken in een zaak betreffende een grondwettelijk geschil, buiten toepassing mag laten?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-617/10; C-42/17; C-612/15; C-574/15; C-105/14; C-596/16 en C-597/16; Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16; C-506/04; C-503/15; C-224/01; C-213/13; 106/77; C-188/10 en C-189/10.

Specifiek beleidsterrein: BZK, BZ, JenV