C-361/19

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 2 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 18 augustus 2019

Trefwoorden : Randvoorwaardenkortingen, landbouwbeleid, landbouwsubsidies

Onderwerp :

- Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

- Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden;

- Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsll1aatregelen en de randvoorwaarden;

 

Feiten:

Appellante is een boerderij en heeft een randvoorwaardenkorting van 5% over de rechtstreekse betalingen ontvangen van de minister van LNV over 2016. Dit is op gronde van drie niet-nalevingen, twee op het terrein van gezondheid (geen registratie van koe waaraan geneesmiddel is toegediend, 17.11.2015 en niet in acht nemen voorgeschreven wachttijd na toepassing van diergeneesmiddel, periode 17.11.2015-3.12.2015), en eentje op het gebied van dierenwelzijn (ontbreken van droge en schone ligplaats van kalveren, 3.3.2016). Eerst was de randvoorwaardenkorting 3% (dit op basis van de niet-naleving van 3.3.2016), maar na kennisneming van de andere niet-nalevingen in geschil is deze verhoogd naar 5%. Irrelevant in de verwijzing voor prejudiciële vragen is het al dan niet vaststellen van de niet-nalevingen. Het College (verwijzende rechter) oordeelt dat deze correct zijn geconstateerd, maar de sanctie vereist stellen van prejudiciële vragen.

 

Overweging:

De twee niet-nalevingen die de verweerder de sanctie hebben doen opleggen zijn in twee verschillende jaren geconstateerd. In kwestie is nu of de eerste niet-naleving, als geconstateerd in 2015, ervoor kan zorgen dat een randvoorwaardenkorting over 2016 wordt aangepast nadat deze niet-naleving ter ore van verweerder is gekomen in 2016. Voor deze niet-naleving komen het jaar van niet-naleving en het jaar van constatering dus niet overeen. De verwijzende rechter vraagt zich af of, met het oog op ondernoemde rechtsspraak van het Hof, het jaar van constatering beslissend is voor de bepaling van het jaar waarover de randvoorwaardenkorting wordt berekend.

 

Prejudiciële vraag:

Zijn artikel 99, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en artikel 73, vierde lid, aanhef en onder a, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden geldig, voor zover daarin het jaar van constatering beslissend is voor de bepaling van het jaar waarover de randvoorwaardenkorting wordt berekend in de situatie dat het jaar van niet-naleving van de randvoorwaarden niet hetzelfde is als het jaar van constatering ervan?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-239/17; Foto-Frost, C-314/85.

Specifiek beleidsterrein: LNV