C-367/19 Tax-Fin-Lex

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 3 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 19 augustus 2019

Trefwoorden : overheidsopdracht; tegenprestatie; bezwarende titel;

Onderwerp :

- Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten;

 

Feiten:

Op 07.06.2018 heeft de aanbestedende dienst, een orgaan van de Sloveense overheid, een besluit vastgesteld over de opening van de aanbestedingsprocedure voor de gunning van de overheidsopdracht inzake de toegang tot het systeem van juridische informatie voor een periode van 24 maanden. De geraamde waarde van de betrokken overheidsopdracht ligt onder de drempel van de richtlijn. De aanbestedende dienst gunt de betrokken overheidsopdracht, die uit twee percelen bestaat, op basis van een procedure voor de gunning van opdrachten met een geringe waarde, die procedure is op nationaal niveau geregeld in een regeling voor de gunning van overheidsopdrachten. Alleen de om herziening verzoekende onderneming en de winnende inschrijver hebben tijdig een offerte ingediend voor perceel 1. Na onderhandelingen heeft de om herziening verzoekende onderneming een offerte van 0,00 EUR gedaan voor de uitvoering van de opdracht. Bij besluit van 11.01.2019 tot gunning van de overheidsopdracht is de om herziening verzoekende onderneming ervan in kennis gesteld dat haar offerte voor perceel 1 was afgewezen, en dat de aanbestedende dienst de opdracht aan de winnende inschrijver had gegund. Tegen dat besluit heeft verzoeker beroep tot herziening ingesteld, ten aanzien waarvan de winnende inschrijver geen standpunt heeft ingenomen. In de voorafgaande procedure heeft de aanbestedende dienst zich uitgesproken over het verzoek tot herziening en dat verzoek afgewezen. De aanbestedende dienst heeft het geschil voorgelegd aan de verwijzende rechter, waar de herzieningsprocedure is begonnen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt over de strekking van het begrip “overheidsopdracht”. Dat het gaat om de contractverhouding onder bezwarende titel tussen de aanbestedende dienst en de marktdeelnemer is een van de wezenlijke elementen waardoor de overheidsopdracht zich onderscheidt. De verwijzende rechter vraagt zich af of er sprake is van een overeenkomst onder bezwarende titel in de zin van de richtlijn, in het geval waarin de aanbestedende dienst geen enkele tegenprestatie hoeft te leveren, maar de marktdeelnemer toegang zal krijgen tot een nieuwe markt of tot nieuwe gebruikers. Ook indien de aanbestedende dienst geen enkele tegenprestatie hoeft te betalen, kan echter het feit dat een opdracht wordt verkregen voor de marktdeelnemer een (economische) waarde vertegenwoordigen, die niet in geld kan worden uitgedrukt op het tijdstip waarop de opdracht wordt gegund. Daarnaast twijfelt de verwijzende rechter of het vereiste van “overeenkomst onder bezwarende titel” een autonome rechtsgrondslag vormt voor de afwijzing van de offerte.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is er sprake van een „overeenkomst onder bezwarende titel”, als bestanddeel van een overheidsopdracht in de zin van artikel 2, lid 1, punt 5, van richtlijn 2014/24, in het geval waarin de aanbestedende dienst geen enkele tegenprestatie hoeft te leveren maar de marktdeelnemer middels de

uitvoering van de opdracht toegang tot een nieuwe markt en referenties verwerft?

2. Kan of moet artikel 2, lid 1, punt 5, van richtlijn 2014/24 aldus worden uitgelegd dat dit een rechtsgrondslag vormt voor afwijzing van een offerte met een prijs van 0,00 EUR?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-296/15; E., C-635/17; ERGO Poisťovňa, C-48/16; Volvo Car Germany, C-203/09; C-338/14,

Specifiek beleidsterrein: EZK; BZK