C-372/19 SABAM

C-372/19 SABAM

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 3 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 19 augustus 2019

Trefwoorden : auteursrecht; misbruik machtspositie; muziekwerken;

Onderwerp :

- VWEU artikel 102;

- Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt;

 

Feiten:

Verzoekster, Sabam, is een beheermaatschappij voor auteursrechten. Zij heeft het recht een vergoeding te vragen voor het gebruik van haar repertoire. Verweerders, BVBA Weareone.World en de NV Wecandance, organiseren festivals waaronder Tomorrowland en Wecandance. Sabam maakt aanspraak op licentievergoedingen die de festivals verschuldigd zouden zijn voor het gebruik van muziek uit haar repertoire. Verweerders zijn het niet eens met de tarieven die Sabam heeft gevraagd. Met uitzondering van het Wecandance-evenement van 2013 werd het bedrag bepaald op basis van het zogenaamde 'tarief 211', dat bestaat uit twee verschillende tarieven, waarbij Sabam kan kiezen welk tarief het toepast. Ten eerste is er een minimumtarief, dat wordt berekend op basis van de ruimte die toegang heeft tot geluid of het aantal beschikbare plaatsen. Ten tweede is er een degressief tarief, dat wordt berekend op basis van het artistieke budget of de bruto-ontvangsten uit de kaartverkoop. Bovendien kan een festivalorganisator een korting krijgen op dat degressieve tarief op basis van de '1/3-2/3-regel'. Op grond van deze regeling ontvangen organisatoren een korting van respectievelijk 2/3 of 1/3 van het in rekening gebrachte tarief indien zij bewijzen dat minder dan 1/3 of 2/3 van de gespeelde nummers afkomstig zijn uit het repertoire van Sabam. Verweerders vinden dat het tarief niet overeenstemt met de economische waarde van de diensten die Sabam levert. Ten eerste is de kortingsregel onvoldoende nauwkeurig. Het is perfect mogelijk om aan de hand van moderne technologie precies vast te stellen welke werken uit het repertoire van Sabam worden afgespeeld. Ten tweede bekritiseren zij het feit dat Sabam tarieven kan berekenen op basis van de bruto ontvangsten uit de ticketverkoop (of het artistiek budget) van een festival zonder de mogelijkheld te bieden om alle niet-muziekgerelateerde kosten af te trekken.

 

Overweging:

Met betrekking tot de grondslag voor de berekening van dat tarief verklaart de verwijzende rechter dat het onduidelijk is of kosten die geen verband houden met muziek ook in aanmerking kunnen worden genomen. De verwijzende rechter is van mening dat met betrekking tot de ‘1/3-2/3’-regel de vraag rijst of deze regel voldoende nauwkeurig is. Het merkt in dit verband op dat Sabam onlangs de schalen heeft gewijzigd en momenteel schijven van 10% toepast, maar dat het niet duidelijk is waar de grens ligt, gelet op het bestaan van nieuwe systemen waarmee het repertoire nog nauwkeuriger kan worden berekend. In het licht van de onzekerheid over de juiste uitlegging van artikel 102 VWEU en richtlijn 2014/26, acht de verwijzende rechter het noodzakelijk om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 102 VWEU, al dan niet samen gelezen met artikel 16 van de richtlijn 2014/26/EU ‘betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt', zo worden uitgelegd dat er sprake is van misbruik van machtspositie als een beheersvennootschap van auteursrechten die in een lidstaat een feitelijk monopolie heeft, op organisatoren van muziekevenementen voor het recht op mededeling van muziekwerken aan het publiek een vergoedingsmodel toepast, onder meer gebaseerd op de omzet,

1. gebruik makende van een forfaitair tarief in schijven, in plaats van een tarief dat rekening houdt met het precieze aandeel (gebruik makend van de voortschrijdende technische hulpmiddelen) van het door de beheersvennootschap beschermde repertoire in de afgespeelde muziek tijdens het evenement?

2. dat licentievergoedingen mee laat afhangen van externe elementen zoals onder meer de toegangsprijs, de prijs van consumpties, het artistieke budget voor de uitvoerders en het budget voor andere elementen, zoals decor?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-26/75, General Motors; C-27/76, United Brands; C-52/07, STIM; 395/87; 402/85

Specifiek beleidsterrein: EZK; OCW; JenV