C-388/19 Autoridade Tributária e Aduaneira

C-388/19 Autoridade Tributária e Aduaneira

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 22 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 8 september 2019

Trefwoorden : belastingen; onroerend goed; discriminatie; vrij verkeer

Onderwerp :

- VWEU, artikel 63

 

Feiten:

Verzoeker (MK) woont in Parijs en valt onder de Portugese lokale belastingdienst de Finanças de Coímbra-2. Verzoeker heeft namelijk in 2002 onroerend goed verworven in Portugal. Op 05.07.2018 heeft verzoeker een aanslag ontvangen van verweerder (Autoridade Tributária e Aduaneira, Portugese belasting- en douanedienst) ten bedrage van €24.654,22. Daarbij paste verweerder op de vermogenswinst uit de verkoop van onroerend goed het bijzondere tarief van 28% toe – en dus niet de verlaging met 50% van de vermogenswinst die geldt voor ingezeten belastingplichtigen. Op 30.11.2018 is verzoeker tegen die aanslag opgekomen bij het CAAD – Centro de Arbitragem Administrativa – omdat hij vond dat hij negatief was gediscrimineerd ten opzichte van ingezeten belastingplichtigen. Verweerder heeft geantwoord dat bij artikel 72 van het Portugees wetboek van inkomstenbelastingen (hierna: CIRS), zoals gewijzigd bij wet 67-A/2007 van 31.12.2007, een nieuw rechtskader is geschapen waarvan het Hof nog niet heeft onderzocht of het verenigbaar is met het Unierecht. Het arrest van het Hof in zaak C-443/06 dateert van 11.10.2007. Dat arrest verklaart dan wel dat de destijds in Portugal geldende wetgeving inzake de belasting van vermogenswinsten en -verliezen uit de verkoop van onroerend goed door niet-ingezetenen niet verenigbaar was met het Unierecht, maar is achterhaald door de wijzigingen die in artikel 72 CIRS zijn aangebracht bij wet 67/2007 van 31.12.2007 om die wetgeving in overeenstemming te brengen met artikel 56 VEG. Verweerster stelt daarom voor om de onderhavige arbitrageprocedure te schorsen en een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen.

 

Overweging:

Ondanks het arrest in C-443/06 vraagt de verwijzende rechter zich af of de situatie die aan de orde is in de onderhavige zaak volledig kan worden gelijkgesteld met de situatie die aan de orde was in zaak C-443/06, aangezien de huidige wetgeving niet dezelfde is als de destijds geldende wetgeving. Tegenwoordig kan de ingezetene in een lidstaat de omstreden ongelijke behandeling immers vermijden door ervoor te kiezen als ingezetene te worden behandeld, met alle juridische gevolgen van dien, onder gelijke voorwaarden als die welke uit hoofde van de wet gelden voor ingezetenen.

 

Prejudiciële vraag:

Moeten de artikelen 12, 56, 57 en 58 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap [thans de artikelen 18, 63, 64 en 65 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie], gelezen in hun onderlinge samenhang, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling zoals die aan de orde in de onderhavige zaak (artikel 43, lid 2, CIRS, zoals goedgekeurd bij wetsbesluit nr. 442-A/88 van 30 november 1988, in de versie van wet nr. 109-B/2001 van 27 december 2001), met de wijzigingen die zijn aangebracht bij wet nr. 67-A/2007 van 31 december 2007, waarbij in artikel 72 CIRS de leden 7 en 8 (thans de leden 9 en 10) zijn opgenomen, wat het mogelijk moet maken dat vermogenswinst die uit de verkoop van een in een lidstaat (Portugal) gelegen onroerend goed wordt verkregen door een ingezetene van een andere lidstaat van de Europese Unie (Frankrijk) naar keuze van de betrokkene niet zwaarder wordt belast dan vermogenswinst die bij ditzelfde soort transactie wordt behaald door een ingezetene van de staat waarin het onroerend goed is gelegen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-443/06;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal