C-39/20 Jumbocarry Trading

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).  

Termijnen: Motivering departement:     17 maart 2020
Schriftelijke opmerkingen:                        3 mei 2020

Trefwoorden :  douaneschuld, verjaring, vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel

Onderwerp :

•          Verordening (EU) nr. 952/2013, van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (DWU)

•          Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het      communautair douanewetboek (CDW)

 

Feiten:

Belanghebbende heeft op 04-07-2013 aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van een partij porseleingoed, met daarin vermelding van Bangladesh als land van oorsprong, welke op diezelfde dag is aanvaard. Op verzoek van belanghebbende zijn de goederen met toepassing van een preferentieel tarief van douanerechten van 0 procent in het vrije verkeer gebracht. Op 31-10-2013 is het DWU in werking getreden. Daarbij zijn de in artikel 288, lid 1, van het DWU vermelde bepalingen, die in hoofdzaak bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie inhouden, van toepassing verklaard vanaf 30-10-2013. De overige bepalingen van het DWU zijn in artikel 288, lid 2, van het DWU met ingang van 01-05-2016 van toepassing verklaard. Het CDW is ingetrokken vanaf 01-05-2016. De Inspecteur heeft belanghebbende op 01-06-2016 schriftelijk medegedeeld dat het porseleingoed niet van oorsprong uit Bangladesh blijkt te zijn en dat het overgelegde certificaat van oorsprong vals is. Hij stelt zich op het standpunt dat daarom douanerechten naar het normale tarief van 12 procent verschuldigd zijn geworden en schrijft dat hij het voornemen heeft deze rechten van belanghebbende na te vorderen. Hij heeft belanghebbende in dezelfde brief in de gelegenheid gesteld om haar standpunt daarover binnen 30 dagen kenbaar te maken. Op 18-07-2016 is de hiervoor bedoelde douaneschuld, die op 04-07-2013 was ontstaan, door middel van uitreiking van de onderhavige uitnodiging tot betaling aan belanghebbende medegedeeld. Zowel artikel 221, lid 3, van het CDW als artikel 103, lid 1, van het DWU schrijft voor dat de mededeling van een douaneschuld aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaren nadat de douaneschuld is ontstaan. Voor het Gerechtshof Amsterdam was in geschil of de douaneschuld op 18-07-2016 wegens het expireren van de termijn is tenietgegaan. Het geschil spitste zich toe op de vraag of voor de onderhavige douaneschuld de verjaringstermijn van drie jaar voor 30 dagen is opgeschort op grond van artikel 103, lid 3, aanhef en letter b, van het DWU. Het Gerechtshof heeft vooropgesteld dat in artikel 124, lid 1, aanhef en letter a, van het DWU is bepaald dat de douaneschuld teniet gaat wanneer deze niet meer overeenkomstig artikel 103 van het DWU aan de schuldenaar kan worden medegedeeld. In een geval als het onderhavige staan echter volgens het Gerechtshof het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel in de weg aan toepassing van artikel 124, lid 1, aanhef en letter a, van het DWU aangezien het voor belanghebbende op het moment van het ontstaan van de douaneschuld niet duidelijk en voorzienbaar was dat zij geconfronteerd kon worden met een opschorting van de verjaringstermijn met een periode van 30 dagen. Daarom moet aan de hand van artikel 221, lid 3, van het CDW worden beoordeeld of de douaneschuld tijdig aan belanghebbende is medegedeeld. Het Gerechtshof heeft vervolgens vastgesteld dat bij toepassing van die bepaling de douaneschuld op 18-07-2016 wegens verjaring al was tenietgegaan. De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

 

Overweging:

De vraag rijst of niet al uit de bewoordingen, doelstelling of opzet van de gewijzigde wetgeving volgt dat artikel 124, lid 1, aanhef en letter a, en artikel 103, lid 3, van het DWU van toepassing zijn op een douaneschuld die op 01-05-2016 volgens de regels van het CDW nog niet was verjaard. Enerzijds zou kunnen worden betoogd dat de opschorting van de verjaringstermijn van een douaneschuld verhindert dat een douaneschuld definitief tenietgaat. In dat licht moeten de verjaringsregel zelf, de termijnstelling van verjaring en de voorziene gevallen van opschorting van die termijn als één samenhangend geheel van regels worden beschouwd. Dit zou betekenen dat belanghebbende op 04-07-2013 wat betreft de in het CDW neergelegde samenhangende voorschriften over verjaring, definitief een positie heeft verworven waaraan zij rechten ontleent, met als gevolg dat zowel artikel 103 als artikel 124, lid 1, van het DWU ten aanzien van haar niet mogen worden toegepast voor zover daarin afwijkende rechtsregels zijn opgenomen. Het is dan niet van belang dat de douaneschuld van belanghebbende op 01-05-2016 nog niet was verjaard. Anderzijds kan worden betoogd dat een regel die afhankelijk is van het expireren van een termijn moet worden onderscheiden van regels die het doen expireren van die termijn afhankelijk maken van een procedurele handeling tijdens het proces van navordering. Indien het Hof van oordeel is dat artikel 103, lid 3, aanhef en letter b, artikel 104, lid 2, van het DWU, en artikel 124, lid 1, aanhef en letter a, van het DWU met ingang van 01-05-2016 van toepassing zijn op een douaneschuld die voor 01-05-2016 is ontstaan, komt aan de orde of het oordeel van het Gerechtshof juist is dat de toepassing ervan in strijd komt met het Unierechtelijke beginsel van rechtszekerheid en gerechtvaardigd vertrouwen en daarom ten aanzien van belanghebbende buiten toepassing moet blijven.

 

Prejudiciële vragen:

1) Zijn artikel 103, lid 3, aanhef en letter b, en artikel 124, lid 1, aanhef en letter a, van het DWU van toepassing op een douaneschuld die voor 1 mei 2016 is ontstaan en waarvan de verjaringstermijn op die datum nog niet is geëxpireerd?

2) Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, staat het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel dan in de weg aan deze toepassing?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-432/17),  (C-201/04),  (C-276/16),

Specifiek beleidsterrein:  FIN