C-391/19 Unipack

C-391/19 Unipack

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 23 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 9 september 2019

Trefwoorden : anti-dumpingrecht; douanewetboek

Onderwerp :

- Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie;

 

Feiten:

Voorwerp van de procedure is de uitspraak van de bestuursrechter in eerste aanleg voor zover daarbij het beroep van Unipack AD (verzoeker) werd verworpen. Dit beroep was gericht tegen de door de directeur van het douanekantoor Svishtov (verweerder) afgegeven vergunning voor het gebruik van een andere bijzondere douaneregeling dan douanevervoer, en wel tegen punt 16.13 van de bijlage bij de vergunning, op grond waarvan deze vergunning van kracht was vanaf de datum van aanvaarding van de aanvraag. Overeenkomstig artikel 211(2) van het douanewetboek van de Unie verzocht verzoekster om toekenning van een vergunning met terugwerkende kracht vanaf 13.06.2017 voor “bladaluminium met een dikte van 0,007 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen, voor andere doeleinden dan gebruik als huishoudfolie”. Verzoeker kreeg een beschikking met een bindende tariefinlichting (hierna: BTI-beschikking) vastgesteld voor de tariefindeling van het product, die met ingang van 28.09.2015 gold voor

een periode van zes jaar. Op 13 en 27 juni 2017 heeft verzoeker bladaluminium ingevoerd uit China. Bij besluit van verweerder werden extra douanerechten en btw geheven op grond van het bij uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 ingestelde antidumpingrecht van 30% op dit product. Vervolgens werd in 2015, 2016 en 2017 ook bladaluminium ingevoerd uit Turkije en uit China. Punt van geschil is of aan de voorwaarden van artikel 172(2) van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 voor de terugwerkende kracht van de vergunning voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming is voldaan.

 

Overweging:

Volgens de uit drie leden bestaande kamer van de Varhoven administrativen sad hangt de beslechting van het geding af van de uitlegging van een bepaling van Unierecht, namelijk van artikel 172(2) van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446.

 

Prejudiciële vraag:

Is er sprake van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 172, lid 2, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie, die een grondslag vormen voor de verlening overeenkomstig artikel 211, lid 2, van het douanewetboek van de Unie van een vergunning met terugwerkende kracht voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming krachtens artikel 254 van het douanewetboek van de Unie met betrekking tot goederen die zijn ingevoerd vóór de datum van aanvaarding van de aanvraag voor een dergelijke vergunning, in de volgende omstandigheden: om te beginnen is de geldigheid van de aan de houder van de desbetreffende regeling voor deze goederen afgegeven BTI-beschikking verstreken wegens een wijziging van de gecombineerde nomenclatuur; verder zijn gedurende een periode (van ongeveer 10 maanden) tussen het verstrijken van de geldigheid van de BTIbeschikking en de invoer waarvoor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming is aangevraagd, in een aantal (negen) gevallen goederen ingevoerd zonder dat de douaneautoriteiten de opgegeven code van de gecombineerde

nomenclatuur hebben gecorrigeerd, en ten slotte zijn de goederen gebruikt voor een van antidumpingrecht vrijgesteld doeleinde?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal;