C-397/19 Statul Român – Ministerul Finanţelor Publice

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 28 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 14 september 2019

Trefwoorden : CVM; onafhankelijkheid; rechtsstaat;

Onderwerp :

- VEU;

- Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie;

- Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond;

- Beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 tot vaststelling van een mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie;

 

Feiten:

AX vordert €50.000 en €1.000.000 van verweerder (Ministerie van Overheidsfinanciën) als vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij heeft geleden. AX werd in 2017 door de rechter in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar wegens voortdurende belastingontduiking. Daarnaast werd AX hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en is conservatoir beslag gelegd op al zijn huidige en toekomstige vermogen. In de periode van 21.01.2015 t/m 21.10.2015 werd AX gearresteerd, in voorlopige hechtenis gesteld en vervolgens is hem huisarrest opgelegd. In hoger beroep werd AX vrijgesproken; hij zou het strafbare feit niet hebben gepleegd en de beslaglegging werd opgeheven. AX meent op grond van deze uitspraak het slachtoffer te zijn geweest van een fout van de rechter in eerste aanleg, aangezien hij ten onrechte is veroordeeld, hem zijn vrijheid is ontnomen en zijn vrijheid tijdens de strafprocedure ten onrechte werd beperkt. Verweerder verzoekt om ongegrondverklaring van de vordering omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor buitencontractuele aansprakelijkheid van de Staat, aangezien AX niet heeft aangetoond dat de voorlopige of vrijheidsbeperkende maatregelen onrechtmatig waren.

 

Overweging:

De verwijzende rechter heeft erop gewezen dat de status en de juridische waarde van de door de Europese Commissie opgestelde verslagen in het kader van het mechanisme voor samenwerking en toetsing (CVM) moet worden verduidelijkt, en dat het primaire Unierecht zich verzet tegen nationale regeling als in de onderhavige zaak aan de orde is, die de onafhankelijkheid van rechters en openbaar aanklagers zou kunnen aantasten. In verband met de eerste prejudiciële vraag verwijst de verwijzende rechter, na dezelfde overwegingen te hebben gemaakt als in de punten 7.9.1 tot en met 7.9.6 van de prejudiciële vraag in zaak C-127/19, naar het arrest Florescu e.a. (C-258/14) waarin het Hof uitlegging heeft gegeven aan een handeling tussen een instelling van de Unie en een lidstaat, te weten het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Unie en Roemenië, gesloten te Boekarest en te Brussel op 23 juni 2009. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag verwijst de verwijzende rechter, na dezelfde overwegingen te hebben gemaakt als in de punten 5.3.1 tot en met 5.3.3 van de prejudiciële vraag in zaak C-127/19, naar het arrest Simmenthal (106/77). Ten aanzien van de derde tot en met de zevende vraag maakt de verwijzende rechter over de onafhankelijkheid van de rechters dezelfde overwegingen als in de punten 2.4, 7.9.10, 7.10.1 tot en met 7.10.3 en 7.10.6 van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-127/19.

 

Prejudiciële vragen:

1. Dient het bij beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 ingestelde mechanisme voor samenwerking en toetsing te worden beschouwd als een handeling van een instelling van de Europese Unie in de zin van artikel 267 VWEU, die ter uitlegging kan worden voorgelegd aan het Hof van Justitie?

2. Maakt het bij beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 ingestelde mechanisme voor samenwerking en toetsing deel uit van het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, dat op 25 april 2005 in Luxemburg door Roemenië is ondertekend, en moet dit mechanisme tegen de achtergrond van dit verdrag worden uitgelegd en toegepast? Zijn de vereisten die zijn geformuleerd in de in het kader van dat mechanisme opgestelde verslagen bindend voor Roemenië, en indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dient de nationale rechter die, in het kader van zijn bevoegdheden, de bepalingen van Unierecht moet toepassen, dan te garanderen dat deze bepalingen worden toegepast, en in voorkomend geval ambtshalve de toepassing te weigeren van bepalingen van nationaal recht die in strijd zijn met de krachtens dit mechanisme geformuleerde vereisten?

3. Dienen artikel 2 en artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in onderlinge samenhang gelezen, aldus te worden uitgelegd dat de verplichting voor Roemenië om zich te houden aan de vereisten in de verslagen die worden opgesteld in het kader van het bij beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 ingestelde mechanisme voor samenwerking en toetsing, valt onder de verplichting van de lidstaat om de beginselen van de rechtsstaat te eerbiedigen?

4. Staan artikel 2 en artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in onderlinge samenhang gelezen, en in het bijzonder de verplichting om de waarden van de rechtsstaat te eerbiedigen, in de weg aan een nationale regeling als die van artikel 96, lid 3, onder a), van Legea nr. 303/2004 privind statutul judecătorilor și procurorilor, waarin rechterlijke dwaling op kernachtige en abstracte wijze wordt gedefinieerd als de verrichting van proceshandelingen die duidelijk in strijd zijn met bepalingen van materieel en formeel recht, zonder dat daarbij de aard van de geschonden rechtsbepalingen, de werkingssfeer ratione materiae en ratione temporis van deze bepalingen in de procedure, de wijze van uitvoering, de termijnen en de procedures voor de vaststelling van inbreuken op de rechtsregels, en de autoriteit die bevoegd is tot vaststelling van inbreuken op dergelijke rechtsregels nader te bepalen, waardoor het mogelijk wordt dat indirect druk op magistraten wordt uitgeoefend?

5. Staan artikel 2 en artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in onderlinge samenhang gelezen, en in het bijzonder de verplichting om de waarden van de rechtsstaat te eerbiedigen, in de weg aan een nationale regeling als die van artikel 96, lid 3, onder b), van Legea nr. 303/2004 privind statutul judecătorilor și procurorilor, waarin rechterlijke dwaling wordt gedefinieerd als een definitieve rechterlijke beslissing die duidelijk in strijd is met de wet of met de feitelijke situatie die uit het tijdens de procedure verkregen bewijs blijkt, zonder daarbij te vermelden welke procedure moet worden gevolgd om deze inbreuk vast te stellen, en zonder concreet te specificeren wat wordt bedoeld met een rechterlijke beslissing die in strijd is met de toepasselijke wettelijke bepalingen en feitelijke situatie, zodat de werkzaamheden van magistraten (rechters en openbaar aanklagers) bij de uitlegging van de wet en van het bewijs worden geblokkeerd?

6. Staan artikel 2 en artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in onderlinge samenhang gelezen, en in het bijzonder de verplichting om de waarden van de rechtsstaat te eerbiedigen, in de weg aan een nationale regeling als die van artikel 96, lid 3, van Legea nr. 303/2004 privind statutul judecătorilor și procurorilor, volgens welke de vaststelling van de vermogensrechtelijke aansprakelijkheid van magistraten (rechters en openbaar aanklagers) jegens de Staat uitsluitend is gebaseerd op de beoordeling van de Staat, en eventueel op de beoordeling in het advies van de gerechtelijke inspectie, dat bij het begaan van de materiële dwaling sprake was van opzet of de grove nalatigheid van de magistraat, zonder dat deze de mogelijkheid heeft om zijn rechten van verweer ten volle uit te oefenen, met als gevolg dat de procedure voor de vaststelling van de materiële aansprakelijkheid van de magistraat jegens de Staat mogelijk op arbitraire gronden wordt ingeleid en voltooid?

7. Staat artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en in het bijzonder de verplichting om de waarden van de rechtsstaat te eerbiedigen, in de weg aan een nationale regeling als die van artikel 539, lid 2, laatste volzin, en artikel 541, leden 2 en 3, Codul de procedură penală, in onderlinge samenhang gelezen, op grond waarvan tegen een definitieve rechterlijke beslissing betreffende de rechtmatigheid van voorlopige hechtenis indien de verdachte ten gronde wordt vrijgesproken, sine die en impliciet een buitengewoon rechtsmiddel sui generis aan de verweerder wordt toegekend, welk rechtsmiddel uitsluitend door de civiele rechter wordt beoordeeld, indien de onrechtmatigheid van de voorlopige hechtenis niet bij vonnis van de strafrechter is vastgesteld, in strijd met het beginsel van voorzienbaarheid en toegankelijkheid van de rechtsregel, van de specialisatie van de rechter en de rechtszekerheid?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-258/14; 106/77;

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZK; BZ