C-398/19 Generalstaatsanwaltschaft Berlin

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 24 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 10 september 2019

Trefwoorden : uitlevering; aanhoudingsbevel;

Onderwerp :

- Tweede Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: Europees Uitleveringsverdrag)

 

Feiten:

De Oekraïense autoriteiten hebben op basis van artikel 5 van het Europees Uitleveringsverdrag een formeel uitleveringsverzoek van 15.03.2016 van de procureur-generaal van Oekraïne toegezonden, dat voldoet aan de eisen van artikel 12 van het Europees Uitleveringsverdrag, en hebben om de aanhouding en uitlevering van de vervolgde persoon met het oog op zijn strafvervolging verzocht. Zij hebben meegedeeld dat jegens de vervolgde persoon een aanhoudingsbevel van de rechter in eerste aanleg van

26.02.2016 bestaat, waarbij deze op basis van de feiten heeft bevolen de vervolgde persoon in voorlopige hechtenis te nemen. De vervolgde persoon heeft herhaaldelijk geldsommen verduisterd bij een Oekraïens staatsbedrijf. De vervolgde persoon is op 26.07.2016 in voorlopige hechtenis genomen. Tijdens zijn verhoren door een rechter, die op dezelfde dag plaatsvonden, heeft hij bezwaren tegen zijn uitlevering geuit, is hij niet akkoord gegaan met de verkorte uitleveringsprocedure en heeft hij evenmin afstand gedaan van de toepassing van het specialiteitsbeginsel (artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag).

Nadat hij de borgsom op 02.12.2016 had gedeponeerd, is de vervolgde persoon op dezelfde dag in vrijheid gesteld. De vervolgde persoon is in 2012 van Oekraïne, waar hij tot dan leefde, naar Duitsland verhuisd. Het Roemeens staatsburgerschap heeft hij pas in 2014 verkregen nadat hij daarom had verzocht. De verwijzende rechter acht de uitlevering van de vervolgde persoon ontvankelijk. Gelet op het arrest (C-182/15), aarzelt hij om die beslissing te geven aangezien de Roemeense rechterlijke autoriteiten tot nu toe noch een positief, noch een negatief besluit hebben genomen aangaande vervolging in Roemenië van de strafbare feiten die het voorwerp vormen van het verzoek om uitlevering.

 

Overweging:

Uit het arrest (C-182/15)vloeit – onder bepaalde voorwaarden – een uitleveringsverbod voort, waarin rekening gehouden wordt met het recht op vrij verkeer; 21(1) VWEU. De feiten in casu wijken echter af van (C-182/15), omdat de vervolgde persoon de Roemeense nationaliteit nog niet bezat toen hij naar Duitsland verhuisde, maar alleen Oekraïens staatsburger was (en dus niet op basis van 21(1) VWEU in Duitsland verbleef). Dit verschil is de aanleiding voor de eerste prejudiciële vraag. Bij de omzetting van de beginselen uit (C-182/15)voor de toepassing van 18 en 21 VWEU rijst verder het praktische probleem dat om het onderzoek van de overname van de vervolging door de lidstaat van herkomst mogelijk te maken, louter informatie over het uitleveringsverzoek niet volstaat, maar dat de lidstaat van herkomst de stukken bij het verzoekende derde land moet opvragen. Dit zou erg tijdrovend zijn, waardoor de tweede prejudiciële vraag rijst. Het Duitse recht voorziet in een (subsidiaire) bevoegdheid voor de vervolging van in het buitenland gepleegde feiten voor het geval dat niet tot uitlevering wordt overgegaan. De vraag is of Duitsland verplicht is om de strafvervolging over te nemen (derde prejudiciële vraag).

 

Prejudiciële vragen:

1. Gelden de beginselen uit het arrest van het Hof van 6 september 2016 in de zaak (C-182/15) betreffende de toepassing van de artikelen 18 en 21 VWEU in het geval van een verzoek van een derde land om uitlevering van een Unieburger ook wanneer de vervolgde persoon naar de aangezochte lidstaat is verhuisd op een tijdstip waarop hij nog geen Unieburger was?

2. Is de lidstaat van herkomst die op de hoogte werd gesteld van een uitleveringsverzoek, op grond van het arrest van het Hof van 6 september 2016 in de zaak (C-182/15), verplicht het verzoekende derde land te verzoeken om toezending van de stukken teneinde de overname van de vervolging te onderzoeken?

3. Is de lidstaat die door een derde land is verzocht om uitlevering van een Unieburger, op grond van het arrest van het Hof van 6 september 2016 in de zaak (C-182/15), verplicht de uitlevering te weigeren en zelf de strafvervolging over te nemen wanneer hij volgens zijn nationaal recht daartoe de mogelijkheid heeft?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-182/15

Specifiek beleidsterrein: JenV