C-399/19 BT Italia e.a.

C-399/19 BT Italia e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 29 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 15 september 2019

Trefwoorden : elektronische communicatie; media

Onderwerp :

- Richtlijn 2002/20/EG van 7 maart 2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn);

 

Feiten:

De AGCOM (toezichthouder voor de communicatiesector) heeft vijf afzonderlijke hogere beroepen ingesteld tegen vijf vonnissen van de TAR (bestuursrechter in eerste aanleg) waarbij de door verweersters (Telecom Italia, BT Italia, etc.) ingestelde beroepen zijn toegewezen. Bij deze vijf vonnissen heeft de TAR de beroepen van verweersters toegewezen door meerdere besluiten van de AGCOM nietig te verklaren. De besluiten van AGCOM gingen over de hoogte en de betaalwijze van de bijdrage die in de sector elektronische communicatie en in de mediadiensten werkzame marktdeelnemers aan de AGCOM verschuldigd zijn, en over de vaststelling van het geautomatiseerde model en de instructies voor de betaling van de bijdrage. Volgens de TAR heeft AGCOM bij de berekening een verkeerde methode gebruikt, aangezien ook kosten waren inbegrepen die daarin niet konden worden opgenomen. De TAR verwees met name naar het arrest C-228/12 van het Hof. Volgens de TAR was artikel 5 van wet nr. 115 van 29 juli 2015, voor zover daarbij het nieuwe lid 2 bis aan artikel 34 van de wet elektronische communicatie werd toegevoegd, niet op de onderhavige zaak van toepassing, aangezien dit een nieuwe bepaling was die geen terugwerkende kracht had. Tot slot verklaarde de TAR dat volgens artikel 12(2) van de machtigingsrichtlijn, in onderlinge samenhang gelezen met de overwegingen 30 en 31 daarvan, de vaststelling van het overzicht noodzakelijkerwijs moet voorafgaan aan het vorderen van de bijdragen, omdat die bepaling anders zinledig zou worden. De AGCOM heeft vervolgens tegen de vonnissen van de TAR hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Verweersters verzoeken het hoger beroep te verwerpen en het vonnis van de rechter in eerste aanleg te bevestigen.

 

Overweging:

Verweersters hebben betoogd dat een prejudiciële verwijzing niet nodig is, en toegevoegd dat het feit dat de Commissie van mei 2015 tot op heden geen inbreukprocedure tegen Italië heeft ingeleid met betrekking tot de rechtspraak op het gebied van de jaarlijkse bijdragen, inhoudt dat de Commissie in de vonnissen van de TAR en de Consiglio di stato geen aspecten heeft gevonden die inbreuk op het Unierecht maken. De nationale sectorale regeling is volgens hen daarom verenigbaar met de corresponderende bepalingen van Unierecht. De verwijzende rechter is van oordeel dat om de in deze zaak aan de orde zijnde gedingen te kunnen beslechten een prejudiciële vraag aan het Hof moet worden voorgelegd over de verenigbaarheid van de nationale regeling met artikel 12 van de machtigingsrichtlijn.

 

Prejudiciële vragen:

1) Staat artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/20/EG in de weg aan een nationale regeling volgens welke alle administratiekosten van de nationale regelgevende instantie voor de organisatie en de uitvoering van alle functies – waaronder regulering en toezicht, geschillenbeslechting en sanctionering – die op grond van het Europese regelgevingskader voor elektronische communicatie (waaronder de richtlijnen 2002/19/EG, 2002/20/EG, 2002/21/EG en 2002/22/EG) aan de nationale regelgevende instantie zijn toegekend, ten laste komen van gemachtigde marktdeelnemers als bedoeld in deze richtlijn, of hebben de in artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/20/EG bedoelde werkzaamheden uitsluitend betrekking op de ex-ante regulering door de nationale regelgevende instantie?

2) Moet artikel 12, lid 2, van richtlijn 2002/20/EG aldus worden uitgelegd dat het jaarlijks overzicht van de administratieve kosten van de nationale regelgevende instantie en van de geïnde bijdragen: a) kan worden gepubliceerd na de afsluiting van het begrotingsjaar, overeenkomstig de nationale wetten inzake overheidsboekhouding, waarin de administratieve bijdragen zijn geïnd, en b) de nationale regelgevende instantie de mogelijk biedt om de „nodige aanpassingen” te maken, ook met betrekking tot niet direct aansluitende begrotingsjaren?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Vodafone Omnitel e.a. C-228/12–C-232/12 en C-254/12–C-258/12;

Specifiek beleidsterrein: EZK; OCW