C-403/19 Société Générale

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 15 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 1 september 2019

Trefwoorden : Vrijheid van kapitaal, dubbele belasting

Onderwerp :

- Overeenkomst tussen de regering van de Franse Republiek en de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belastingen met betrekking tot belastingen naar het inkomen;

- Overeenkomst tussen de regering van de Franse Republiek en de regering van het Koninkrijk der Nederlanden tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen;

- Overeenkomst tussen de regering van de Franse Republiek en de regering van de Italiaanse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen;

 

Feiten:

SGAM (onderdeel van Société Générale, SG, verzoekster) heeft in 2004 en 2005 zowel effectuitleentransacties (effecten als onderpand, waarbij SGAM effectief eigenaar van effecten is) als transacties in verband met structurering van fondsen (beheer van aandelenmanden) verricht. SGAM betaalt aan de uiteindelijke benefactors de dividenden uit en eventuele waardevermeerderingen. M.b.t. deze soorten transacties, waarbij het effecten van in IT, VK, en NL ingezeten vennootschappen betreft, is in deze drie LS bronbelasting ingehouden. De FR belastingdienst betwist de verrekening van een deel van het belastingkrediet door SG. In eerste instantie krijgt SG gelijk en hoeft het de naheffing niet te betalen, in tweede instantie krijgt de belastingdienst gelijk en moet SG alsnog de naheffing betalen. Hiertegen komt SG in beroep bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

Ter beslechting van het onderhavige geschil is het voor de verwijzende rechter van belang om middelen aangeleverd te krijgen van het Hof over de beoordelingsmarge die lidstaten toekomt wanneer ter voorkoming van dubbele belasting overeenkomsten tussen lidstaten zijn getekend. Als hieruit volgt dat de effecten die SG houdt van in andere lidstaten ingezeten vennootschappen benadeeld worden ten opzichte van effecten van in Frankrijk ingezeten vennootschappen, vraagt de verwijzende rechter zich af of de staat die “dubbel” heft (in casu: FR), af moet zien van de inkomsten die hij zou kunnen heffen door vennootschapsbelasting te heffen over SG.

 

Prejudiciële vraag:

Impliceert de omstandigheid dat de toepassing van de in punt 5 van de onderhavige beslissing in herinnering gebrachte voorschriften ter compensatie van de dubbele belasting van dividenden uitgekeerd aan een vennootschap die in haar lidstaat van vestiging onderworpen is aan de vennootschapsbelasting door een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap, waarop als gevolg van de uitoefening door deze staat van zijn fiscale bevoegdheid bronbelasting is ingehouden, niet uitsluit dat de transacties die in eerstgenoemde staat aan de vennootschapsbelasting onderworpen vennootschappen verrichten met betrekking tot effecten van buitenlandse vennootschappen, nadeliger worden behandeld, gelet op artikel 56 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, thans artikel 63 van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie, dat deze staat, nu hij ervoor heeft gekozen de dubbele belastingheffing te compenseren, verder moet gaan dan af te zien van de belastinginkomsten die hij zou ontvangen door vennootschapsbelasting te heffen over de betrokken dividenden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-385/00; C-513/04; C-194/06; C-436/08 en C-437/08; C-168/11; C-10/14; C-602/17; C-174/18