C-405/19

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 24 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 10 september 2019

Trefwoorden : btw-richtlijn;

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

 

Feiten:

Eiseres heeft als enige economische activiteit het oprichten en het verkopen van appartementsgebouwen. Hiervoor bouwt de eiseres appartementsgebouwen op gronden die eigendom zijn van derden. De appartementen worden daarna door de eiseres te koop aangeboden waarbij zij publiciteits- en administratiekosten maakt en commissielonen aan makelaars betaalt. Bij de verkoopaktes van de appartementen treedt de eiseres op als verkoper van het gebouw terwijl de grondeigenaar optreedt als verkoper van de grond. De btw op de publiciteits- en administratiekosten en op de makelaars-vergoedingen werd door de eiseres integraal in aftrek gebracht. Na een controle heeft de administratie over de periode van 01.01.1999 – 30.09.2001 het standpunt ingenomen dat de btw enkel aftrekbaar is voor zover het de verkoop van de gebouwen betreft, en niet de verkoop van de grond. Eiseres kreeg een dwangbevel en ging over tot betaling van een bedrag van €92.313,99 euro aan btw. De eiseres heeft vervolgens verzet aangetekend tegen het dwangbevel en terugbetaling gevorderd van de betaalde sommen, welke bij vonnis van 21.03.2016 werd ingewilligd. De rechtbank overwoog dat de publiciteit en de makelaarsdiensten in hun geheel kunnen worden geacht deel uit te maken van de algemene kosten van de enige economische activiteit van de eiseres, zijnde het bouwen van appartementen en de verkoop ervan aan derden. Bij het bestreden arrest van 28.11.2017 werd het hoger beroep gegrond verklaard en de oorspronkelijke vordering van de eiseres slechts gedeeltelijk gegrond verklaard, namelijk enkel wat de opgelegde administratieve boete betreft. Hierop stelde eiseres beroep in cassatie in.

 

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter betreft de rechtspraak van het Hof situaties waarin een derde een voordeel haalt uit een inputdienst, zoals in casu. Echter wordt uit de rechtspraak niet duidelijk of de btw over de reclame- en administratiekosten en de makelaarsvergoedingen volledig aftrekbaar zijn, ook al komen deze kosten ook ten goede aan de grondeigenaren en kunnen zij gedeeltelijk aan hen worden doorberekend. De verwijzende rechter gaat daarom over op het stellen van de prejudiciële vragen.

 

Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 17 van de richtlijn nr. 77/388/EEG aldus te worden geïnterpreteerd dat wanneer een uitgave ook ten goede komt aan een derde - zoals dit het geval is wanneer een promotor bij de verkoop van appartementen publiciteitskosten, administratiekosten en makelaarslonen betaalt die ook ten goede komen aan de grondeigenaren - dit niet eraan in de weg staat dat de op die kosten drukkende btw volledig in aftrek kan worden gebracht, op voorwaarde dat wordt vastgesteld dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de uitgave en de economische activiteit van de belastingplichtige en dat het voordeel voor de derde ondergeschikt is aan de behoeften van het bedrijf van de belastingplichtige?

2. Geldt dit principe ook wanneer het niet gaat om algemene kosten maar om kosten die toewijsbaar zijn aan welbepaalde al dan niet aan BTW onderworpen handelingen in een later stadium, zoals te dezen de verkoop van enerzijds de appartementen en anderzijds de grond?

3. Heeft de omstandigheid dat de belastingplichtige de mogelijkheid/het recht heeft om de uitgave gedeeltelijk door te rekenen aan de derde aan wie de uitgave ten goede komt maar dit niet doet, een invloed op de vraag naar de aftrekbaarheid van de btw op deze kosten?.

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-132/16; C-124/12; C-258/95; SKF C-29/08;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal