C-407/19 en C-471/19 Katoen Natie Bulk Terminals et General Services Antwerp e.a.

C-407/19 en C-471/19 Katoen Natie Bulk Terminals et General Services Antwerp e.a.

Prejudiciële hofzaken

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 9 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 26 september 2019

Trefwoorden : havenarbeid, vrijheid van vestiging

Onderwerp :

- Artikelen 34, 35, 45, 49, 56, 101, 102, en 106, lid 1 VWEU

- Artikelen 15 en 16, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

 

Feiten:

C-407/19:

In België worden havenarbeiders op advies van een bij een betrokken havengebied partiair comité “erkend” als zijnde havenarbeiders. De Commissie heeft een België in 2014 een ingebrekestelling gestuurd, waarna de Belgische overheid enkele maatregelen heeft genomen om de arbeidsmarkt vrijer te maken. Verzoeksters komen in beroep tegen zeven maatregelen die zijn herbevestigd of toegevoegd die tekortschieten de ongeoorloofde vrijheidsbeperkingen inzake havenarbeid weg te werken. In essentie draait het om een belemmerende erkenningsprocedure waar elke havenarbeider aan is onderworpen en een machtspositie voor de lokale werkgevers- en werknemersverenigingen per havengebied die in stand gehouden wordt (mede door de zogenaamde Alfapass). Verzoeksters willen namelijk werknemers aannemen die geen traditionele havenarbeid verrichten maar verpakwerkzaamheden verrichten in een magazijn dat weliswaar op het haventerrein ligt maar niet is aangesloten op enige havenkade of haventerminal.

 

C-471/19:

Feitencomplex nagenoeg gelijk alleen behelst het hier bedrijven die werknemers aan willen nemen voor arbeid die niets te maken heeft met traditionele havenarbeid in de haven van Zeebrugge.

 

Overweging:

In essentie wil de verwijzende rechter in zaak C-407/19 weten of de maatregelen die nog aangehouden worden een belemmering vormen voor het vrij verkeer (goederen, werknemers, vestiging). Per maatregel is een prejudiciële vraag gesteld. In zaak C-471/19 verzoekt de rechter in wezen of er alleen maar erkende havenarbeiders mogen worden aangenomen voor werk dat geen havenarbeid behelst, of dat deze regeling in strijd is met de vrijheid van vestiging en artikelen 15 en 16 van het Handvest. Tot slot vraagt de rechter zich in zaak C-471/19 af of er een mogelijkheid bestaat tot tijdelijke handhaving van de huidige wetgeving om zo de rechtszekerheid te bewaren.

 

Prejudiciële vragen:

C-407/19:

1) Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel Ivan het koninklijk besluit van 5 juli 2004 'betreffende de erkenning van havenarbeiders in de havengebieden die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid' , samen gelezen met artikel 2, van voormeld besluit van 5 juli 2004, namelijk de regeling dat de havenarbeiders zoals bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit van 5 juli 2004, bij hun erkenning door de administratieve commissie, paritair samengesteld eensdeels uit leden aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité en anderdeels uit leden aangewezen door de werknemersorganisaties vertegenwoordigd in het paritair subcomité, ofwel worden opgenomen in de pool van havenarbeiders ofwel niet, waarbij bij de erkenning tot opname rekening wordt gehouden met de behoefte aan arbeidskrachten, ermee rekening houdende tevens dat voor die administratieve commissie niet in een uiterlijke beslissingstermijn is voorzien en tegen haar erkenningsbeslissingen enkel is voorzien in een jurisdictioneel beroep?

 

2) Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 1, 2°, 3°, 6° en 8° van het koninklijk besluit van 5 juli 2004 zoals vervangen respectievelijk ingevoegd door artikel 4, 2°, 3°, 4° en 6°, van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling die als voorwaarde voor de erkenning als havenarbeider oplegt dat de werknemer a) medisch geschikt wordt verklaard door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarbij de organisatie van werkgevers die overeenkomstig artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972 'betreffende de havenarbeid' aangeduid werd als lasthebber aangesloten is en b) geslaagd is in de psychotechnische proeven afgenomen door het orgaan dat hiertoe door de erkende organisatie van werkgevers aangeduid als lasthebber overeenkomstig datzelfde artikel 3bis van de wet van 8 juni 1972, c) gedurende drie weken de voorbereidingslessen tot veilig werken en tot het verwerven van de vakbekwaamheid hebben gevolgd en geslaagd zijn voor de eindproef en d) reeds moet beschikken over een arbeidsovereenkomst wanneer het een havenarbeider betreft die niet opgenomen wordt in de pool, daarin begrepen, samen gelezen met artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, dat de buitenlandse havenarbeiders moeten kunnen aantonen dat zij in een andere lidstaat aan vergelijkbare voorwaarden voldoen opdat zij voor de toepassing van de bestreden regeling niet meer aan die voorwaarden worden onderworpen?

 

3) Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 2, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 2 van het bestreden koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij de havenarbeiders die niet worden opgenomen in de pool en die derhalve direct door een werkgever worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst conform de wet van 3juli 1978 'betreffende de arbeidsovereenkomsten' en de duurtijd van hun erkenning wordt beperkt tot de duurtijd van deze arbeidsovereenkomst zodat telkens een nieuwe erkenningsprocedure moet worden aangevat?

 

4) Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 13/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 17 van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de overgangsmaatregel waarbij de arbeidsovereenkomst waarvan sprake in de derde prejudiciële vraag in eerste instantie moet zijn gesloten voor onbepaalde duur; vanaf 1juli 2017 voor minstens tweejaar; vanaf 1juli 2018 voor minstens één jaar; vanaf 1juli 2019 voor minstens zes maanden; vanaf 1juli 2020 met vrij te bepalen duurtijd?

 

5) Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling vervat in artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals ingevoegd door artikel 18 van het koninklijk besluit van 10juli 2016, namelijk de (overgangs)maatregel waarbij de onder de oude regeling erkende havenarbeiders van rechtswege worden erkend als havenarbeiders in de pool waardoor de mogelijkheid van directe tewerkstelling (met een vast contract) van die havenarbeiders door een werkgever wordt belemmerd en de werkgevers verhindert om goede arbeidskrachten aan zich te binden door met hen rechtstreeks een vast contract te sluiten en deze laatsten werkzekerheid te bieden volgens de regels van het gemene arbeidsrecht?

 

6) Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 4, § 2 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 4, 7°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij een cao de voorwaarden en modaliteiten bepaalt waaronder een havenarbeider kan worden tewerkgesteld in een ander havengebied dan datgene waar hij werd erkend waardoor mobiliteit van werknemers tussen de havengebieden wordt beperkt zonder dat de regelgever zelf duidelijkheid verschaft welke die voorwaarden of modaliteiten kunnen zijn?

 

7) Dient artikel 49, 56, 45, 34, 35, 101 of 102 van het VWEU, al dan niet in samenhang met artikel 106, lid 1, van het VWEU, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de regeling ingevoerd bij artikel 1, § 3 van het koninklijk besluit van 5 juli 2004, zoals vervangen door artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 10 juli 2016, namelijk de regeling waarbij (logistieke) werknemers die arbeid verrichten in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 januari 1973 'tot oprichting en vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van 'het Paritair Comité voor het Havenbedrijf op locaties waar goederen ter voorbereiding van hun verdere distributie of verzending transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde over een veiligheidscertificaat moeten beschikken waarbij dat veiligheidscertificaat geldt als een erkenning in de zin van de wet van 8 juni 1972 'betreffende de havenarbeid' , ermee rekening houdende dat dit certificaat wordt aangevraagd door de werkgever die een arbeidsovereenkomst heeft getekend met een werknemer om activiteiten in die zin te verrichten en de uitgifte ervan gebeurt op vertoon van de arbeidsovereenkomst en de identiteitskaart waarbij de modaliteiten van de te volgen procedure worden vastgelegd via collectieve arbeidsovereenkomst, zonder dat de regelgever op dat punt duidelijkheid verschaft?

 

C-471/19:

1) Dient artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 56 van hetzelfde Verdrag, met de artikelen 15 en 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het gelijkheidsbeginsel, aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die personen of ondernemingen die in een Belgisch havengebied activiteiten van havenarbeid in de zin van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid - waaronder activiteiten die vreemd zouden zijn aan het laden en lossen van schepen in strikte zin - wensen te verrichten, verplicht om enkel een beroep te doen op erkende havenarbeiders?

 

2) Kan het Grondwettelijk Hof, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, de gevolgen van de in het geding zijnde artikelen 1 en 2 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid voorlopig handhaven teneinde rechtsonzekerheid en sociale onvrede te voorkomen en de wetgever in staat te stellen ze in overeenstemming te brengen met de uit het recht van de Europese Unie voorvloeiende verplichtingen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Spanje, C-576/13; C-132/93; C-179/90; Holship Norge AS/Norsk Transportarbeiderforbund, E-14/15; C-19/91; C-268/15; C-197/11 en C-203/11; C-297/88 en C-197/89; C-28/95; Allianz Hungaria Biztosito, C-32/11; Aircraft GmbH; Clean Car Autoservice GesmbH, C-350/96; C-22/98; C-33/17; Commissie/Oostenrijk, C-356/08; Commissie/Frankrijk, C-89/09; Commissie/Finland, C-54/05; Commissie/Portugal, C-438/08; Collectieve Antennevoorziening Gouda, C-288/89; Commissie/Portugal, C-518/09; Association France Nature Environnement, C-379/15.

Specifiek beleidsterrein: SZW, IenW