C-41/19 FX

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 12 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 26 april 2019

Trefwoorden : bevoegdheid; familierecht;

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna: onderhoudsverordening);

- Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-verordening).

 

Feiten:

Verzoeker is de vader van de minderjarige verweerster. Bij beslissing van de rechter in eerste aanleg van Krakau van 26.05.2009 is hem de verplichting opgelegd om voor zijn dochter vanaf 01.09.2008 alimentatie te betalen (maandelijks 500,00 PLN (Poolse Zloty)) en om voor de periode van 19.06.2008 t/m 31.08.2008 met terugwerkende kracht alimentatie te betalen (maandelijks 430,00 PLN). Verweerster verzocht om tenuitvoerlegging van de Poolse beslissing in Duitsland. De verwijzende rechter heeft vervolgens bij beslissing van 27.07.2016 vastgesteld dat die beslissing uitvoerbaar moest worden verklaard. Verweerster is inmiddels jegens verzoeker overgegaan tot gedwongen tenuitvoerlegging uit hoofde van de Poolse titel in combinatie met de beslissing van de verwijzende rechter. Verzoeker heeft bij verzoekschrift van 05.04.2018 verzocht de gedwongen tenuitvoerlegging van de beslissing van de verwijzende rechter van 27.07.2016 niet-ontvankelijk te verklaren. Verzoeker voert aan dat de aan de titel ten grondslag liggende onderhoudsvordering van verweerster reeds door betaling is voldaan. Hij heeft namelijk in de jaren 2008 t/m 2010 onderhoud betaald (in totaal 6.640,05 PLN). Bovendien heeft verweerster van het Poolse alimentatiefonds sinds december 2010 overheidsuitkeringen ontvangen (maandelijks 500,00 PLN). Het Poolse alimentatiefonds staat met hem in contact en hij betaalt de door dat fonds uitgekeerde bedragen terug voor zover zijn financiële draagkracht het toelaat. Verzoeker is van mening dat verweersters aanspraak op onderhoud daardoor grotendeels is komen te vervallen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat het door verzoeker ingestelde beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging een onderhoudsverplichting in de zin van de onderhoudsverordening betreft. Toch meent hij zich niet ambtshalve onbevoegd te kunnen verklaren overeenkomstig artikel 10 van de onderhoudsverordening. Dit komt omdat een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging, anders dan een verzoek tot wijziging, niet uitdrukkelijk wordt vermeld in die verordening of in de Brussel I bisverordening. Daarom dient te worden vastgesteld hoe het beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging moet worden gekwalificeerd. Indien het beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging geen betrekking heeft op een onderhoudsverplichting in de zin van de onderhoudsverordening, rijst de vraag of het dan gaat om een procedure in de zin van artikel 24.5 van de Brussel I bis-verordening, dat ziet op de tenuitvoerlegging van beslissingen.

 

Prejudiciële vragen:

1. Betreft een overeenkomstig § 767 van de Duitse Zivilprozessordnung ingesteld beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging dat is gericht tegen een buitenlandse onderhoudstitel, een onderhoudsverplichting in de zin van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen?

2. Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord, is een overeenkomstig § 767 van de Zivilprozessordnung ingesteld beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging dat is gericht tegen een buitenlandse onderhoudstitel, dan een procedure inzake de tenuitvoerlegging van beslissingen in de zin van artikel 24, punt 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bisverordening)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: AS Autoteile Service/Malhé C-220/84; Prism Investments C-139/10;

Specifiek beleidsterrein: JenV

​​​​​​​