C-411/19 WWF Italia e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 31 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 17 september 2019

Trefwoorden : habitatrichtlijn; vogelrichtlijn;

Onderwerp :

- Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (habitatrichtlijn);

- Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (vogelrichtlijn);

 

Feiten:

In 2015 verzocht de ANAS (nationale overheidsbedrijf voor het wegennet) om inleiding van de procedure ter “beoordeling van de milieueffecten” (hierna: VIA) voor de voltooiing van een deel van het tracé van de rijksweg. Dat verzoek had betrekking op de aanleg van een nieuw tracé (groen tracé), waarvan de kostprijs lager was dan die van het andere tracé (geheten: paars tracé), dat vanuit het oogpunt van de milieueffecten ervan reeds was goedgekeurd. Het groene tracé was gelegen in een speciale beschermingszone en kreeg telkens negatief advies van de commissie van onderzoek van de milieueffecten (hierna: commissie VIA-VAS) bij het ministerie voor milieu en land- en zeebescherming (hierna: MATTM). De voorzitterschap van de ministerraad (hierna: PCM) verzocht het MATTM om de milieueffectenbeoordelingen met vermelding van de mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen te verschaffen. De commissie VIA-VAS heeft daarop opnieuw een negatief advies over het groene tracé gegeven, waarbij zij preciseerde dat het niet mogelijk was om eventuele mitigerende en compenserende maatregelen te nemen. Ondanks dit laatste negatieve advies, heeft het PCM de maatregel inzake de verenigbaarheid van het groene tracé met de milieunormen vastgesteld. Enkele milieuverenigingen en natuurlijke personen (verzoekers) hebben bij de verwijzende rechter beroep tot nietigverklaring van dat besluit ingesteld. Intussen had het interministerieel comité voor de economische planning (CIPE) bij besluit van 28.02.2018, het voorontwerp voor het groene tracé goedgekeurd en de Regione Lazio aangewezen als de autoriteit die belast is met het onderzoek van de bij het definitieve ontwerp van het betrokken werk te voegen milieueffectstudie. De verzoekende partijen zijn opgekomen tegen het besluit van 28.02.2018.

 

Overweging:

Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de mogelijke strijdigheid met het Unierecht van de Italiaanse wetgeving en de bestuurlijke maatregelen waarbij in casu het voorontwerp voor de aanleg van een weg vanuit het oogpunt van de verenigbaarheid ervan met de milieunormen is goedgekeurd, terwijl een andere bestuursautoriteit die voordien was verzocht om zich over hetzelfde oogpunt uit te spreken, daarentegen een negatief advies had gegeven. De verwijzende rechter betwijfelt of de procedure ter beoordeling van het effect van het groene tracé op het milieu in overeenstemming is met de aangevoerde Uniewetgeving.

 

Prejudiciële vragen:

1) Staat artikel 6 van richtlijn 1992/43/EEG, in samenhang met richtlijn 2009/47/EG voor zover deze in casu van toepassing is, in de weg aan een nationale primaire regeling en de secundaire regeling ter uitvoering daarvan [...], op grond waarvan de instantie „in laatste aanleg”, die bevoegd is om de maatregel inzake de verenigbaarheid van het voorontwerp voor de aanleg van een weg met de milieunormen vast te stellen in het geval van een met redenen omklede nietinstemming van de minister voor milieu en land- en zeebescherming, haar goedkeuring aan dat voorontwerp mag verlenen en daarbij de voortzetting van de procedure mag toestaan, door zich te beroepen op het bestaan van een groot openbaar belang, hoewel de voor milieubescherming verantwoordelijke overheidsinstantie het onmogelijk acht om eventuele regelingen en mitigerende maatregelen te treffen voor het alternatieve ontwerp dat zich in de goedkeuringsfase bevindt en waarover reeds een negatief advies over de milieueffectbeoordeling is gegeven?

2) Verzetten richtlijn 1992/43/EEG en richtlijn 2009/47/EG zich tegen een oplossing als die waartoe is besloten, waarbij voor de goedkeuring van het voorontwerp voor de aanleg van een weg die aan de milieueffectbeoordelingsprocedure is onderworpen, voorrang wordt gegeven – boven het belang van milieubescherming – aan het aangevoerde „groot openbaar belang”, dat uitsluitend is gebaseerd op het economische nut van het werk, op het feit dat het in overeenstemming is met de bescherming van het landschap en historische, culturele en socio-economische belangen en op de noodzaak om een trans-Europees wegennetwerk te voltooien – in casu het TEN-[T]-netwerk dat door verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 als „uitgebreid” wordt omschreven –, hoewel een alternatieve oplossing bestaat die vanuit milieuoogpunt reeds is goedgekeurd?

3) Is de oplossing waartoe is besloten, volgens welke grondigere beoordelingen en nadere studies – waaronder de milieueffectbeoordeling – inzake het milieueffect van het wegtracé dat nog niet is goedgekeurd in de fase van de beoordeling van de gevolgen voor het milieu, kunnen worden uitgesteld tot de fase van het definitieve ontwerp, in plaats van het ontwerp terug te sturen naar de indiener van het project voor verdere grondigere beoordelingen en studies om de effecten die het alternatieve tracé – dat vanuit milieuoogpunt integendeel wel reeds is goedgekeurd – heeft op de economie en het landschap, te mitigeren, verenigbaar met de aangevoerde communautaire bepalingen?

4) Gelet op die omstandigheden en gesteld dat het antwoord op de eerste, de tweede en de derde vraag ten aanzien van de verenigbaarheid [met het Unierecht] bevestigend luidt, verzetten richtlijn 1992/43/EEG en richtlijn 2009/47/EG zich dan tegen een oplossing als die waartoe is besloten, volgens welke een negatief advies van de bevoegde instantie over de verenigbaarheid met de milieunormen tijdens de procedure voor de goedkeuring van het voorontwerp van een werk niet-bindend wordt geacht, en waarbij wordt verlangd dat in het kader van het definitieve ontwerp het effect van het werk op de landschaps- en milieu-elementen van het gebied grondiger wordt beoordeeld, meer bepaald voor wat betreft de milieueffectbeoordeling en de daaruit voortvloeiende vaststelling van adequate maatregelen om de effecten te compenseren en te mitigeren?

5) Verzetten richtlijn 1992/43/EEG en richtlijn 2009/47/EG zich tegen een oplossing als die waartoe is besloten, waarbij van de indiener van het project wordt verlangd dat hij in de fase van de opstelling van het definitieve ontwerp rekening houdt met de voorschriften, opmerkingen en aanbevelingen die ten aanzien van het landschap en het milieu zijn vastgelegd tijdens de vergadering van de betrokken diensten over het voorontwerp, hoewel de voor milieubescherming verantwoordelijke instantie erop heeft gewezen dat het niet mogelijk is om mitigerende regelingen en maatregelen te treffen voor de variant van het project dat zich in de goedkeuringsfase bevindt?

6) Verzetten richtlijn 1992/43/EEG en richtlijn 2009/47/EG zich tegen een oplossing als die waartoe is besloten, waarbij de indiener van het project tevens wordt verzocht om de studie van het effect van het werk op het milieu, de „passende beoordeling” daaronder begrepen, overeenkomstig de vigerende wettelijke voorschriften naar behoren op te stellen, die als basis zal dienen voor de betrokken beoordeling van de gevolgen?

7) Verzetten richtlijn 1992/43/EEG en richtlijn 2009/47/EG zich tegen een oplossing als die waartoe is besloten, waarbij een andere, derde autoriteit [de Regione Lazio (regio Latium)] dan de gewoonlijk daarvoor verantwoordelijke (binnen het ministerie voor milieu en land- en zeebescherming, MATTM, opgerichte commissie van onderzoek van de beoordeling van de gevolgen van een werk en de milieueffectbeoordeling, commissie VIA-VAS) wordt aangewezen om de bij het definitieve ontwerp van het werk gevoegde milieueffectstudie te onderzoeken en om te bepalen welke verdere mitigerende en compenserende maatregelen eventueel noodzakelijk zijn voor de bescherming en het behoud van de milieu- en landschapselementen van het betrokken gebied, en waarbij aan de binnen het MATTM opgerichte commissie VIA-VAS overeenkomstig en ten aanzien van de effecten als bedoeld in artikel 185, leden 4 en 5, van wetsbesluit nr. 163/06, enkel de taak wordt gelaten om achteraf haar advies te geven of het definitieve ontwerp voor de aanleg van de weg in overeenstemming is met de voorschriften inzake het landschap en milieu, nadat het voornoemde onderzoek is verricht?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-387/15 en C-388/15; Cascina Tre Pini C-301/12; C-182/10; Azienda Agro-Zootecnica Franchini e Eolica di Altamura C-2/10; Commissie/Spanje C-404/09; Stadt Papenburg C-226/08; Commissie/Italië C-304/05; Royal Society for the Protection of Birds C-44/95;

Specifiek beleidsterrein: IenW; EZK;