C-420/19 Heavyinstall

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 29 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 15 september 2019

Trefwoorden : belastingschuld, conservatoire maatregelen, bevriezing tegoeden; bevoegdheid

Onderwerp :

- Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen

 

Feiten:

Finse belastingdienst heeft een verzoek tot het nemen van conservatoire maatregelen m.b.t. voldoening van belastingschuld van Heavyinstall gedaan bij de Estse rechter (eerste aanleg), welke beschikkingsverboden over voertuigen van Heavyinstall uitvaardigde, alsmede een beslag op de rekeningen van de onderneming t.w.v. 297.304 EUR. Uit feiten wordt duidelijk dat Heavyinstall en zijn beheerder belasting proberen te ontduiken. In tweede instantie wordt het verzoek tot beslag afgewezen vanwege de niet-aantoonbaarheid van het ontduikingsgevaar en het feit dat het een winstgevende onderneming betreft. Hiertegen is hoger beroep ingesteld door de Finse belastingdienst, welke is afgewezen. Hiertegen is de belastingautoriteit in cassatie getreden.

 

Overweging:

Inzake wil de verwijzende rechter weten of de Estse rechters in eerste en in tweede aanleg mochten overgaan tot een beoordeling van de Finse rechterlijke goedkeuring voor uitvoering van conservatoire maatregelen op het Estse grondgebied. Er bestaat geen rechtspraak dus wil de verwijzende rechter duidelijkheid.

 

Prejudiciële vraag:

Dient artikel 16 van richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen, aldus te worden uitgelegd dat de rechterlijke instantie van de lidstaat die het verzoek om conservatoire maatregelen heeft ontvangen, bij de beslissing over dit verzoek op grond van het nationale recht (hetgeen voor de aangezochte rechter op grond van artikel 16, [lid 1], mogelijk is) gebonden is aan de opvatting van de rechterlijke instantie van het land van vestiging van de verzoeker wat betreft de noodzaak en de mogelijkheid van de conservatoire maatregelen, ingeval aan de rechter een document is overgelegd waarin deze opvatting is neergelegd (artikel 16, [lid 1,] tweede alinea, laatste zin, op grond waarvan in de aangezochte lidstaat geen erkenning, aanvulling of vervanging van dit document wordt verlangd)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-542/08

Specifiek beleidsterrein: JenV, FIN-FISC