C-424/19 Cabinet de avocet UR

C-424/19 Cabinet de avocet UR

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 7 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 24 september 2019

Trefwoorden : btw-richtlijn, belastingplichtige, voorrang van Unierecht

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

 

Feiten:

Verzoeker heeft bij de belastingdienst van Roemenië verzocht uit het btw-register verwijderd te worden en wel met terugwerkende kracht tot 2002 omdat hij ten onrechte zou zijn geregistreerd in verband met het overschrijden van de omzetdrempel. Daarnaast vordert verzoeker teruggave van de btw over de periode van 2010 tot en met 2014 (ongeveer 1 miljoen RON) en een boete, dwangsom, en rentebetaling te gelasten. Verzoeker stelt dat hij geen economische activiteiten verricht en dus geen btw hoeft te betalen, met name op basis van twee nationale uitspraken waarin de Roemeense rechters stellen dat hij geen dienstenovereenkomsten, maar contracten voor juridische dienstverlening met zijn cliënten sluit. In eerste aanleg wordt vordering van verzoeker ongegrond verklaard omdat het beroep van advocaat niet van btw is vrijgesteld.

 

Overweging:

De verwijzende rechter wil, met het oog op de genoemde jurisprudentie, weten of het begrip “belastingplichtige” in de zin van richtlijn 2006/112 ook de door een advocaat verrichte werkzaamheden, zoals in onderhavige zaak, omvat. Daarnaast wil de verwijzende rechter weten of, wanneer in lijn met het antwoord van het Hof op vraag 1 beslist dat de advocaat toch belastingplichtige is, of hij dan het beginsel van gezag van gewijsde naast zich neer mag leggen om zo voorrang te bieden aan het Unierecht.

 

Prejudiciële vraag:

1) Valt bij de toepassing van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad (betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde) ook de beoefenaar van het beroep van advocaat onder het begrip „belastingplichtige”?

 

2) Is het op grond van het beginsel van voorrang van het Unierecht mogelijk dat in een latere procedure wordt afgeweken van het gezag van gewijsde van een definitieve rechterlijke uitspraak waarin in essentie is geoordeeld dat bij de toepassing en de uitlegging van de nationale regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde de advocaat geen goederen levert, geen economische activiteit verricht, en geen dienstenovereenkomsten maar overeenkomsten voor juridische dienstverlening sluit?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:, C-224/01; Commissie/Frankrijk, C-492/08;, C-61/12; Asparuhovo Lake Investment Company, C-463/14; Ordre des barreaux francophone et germanophone e.a., C-543/14.

Specifiek beleidsterrein: FIN-FISC, JenV