C-427/19 Bulstrad Vienna Insurance Group

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 29 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 15 september 2019

Trefwoorden : liquidatie, schadevordering, grensoverschrijdend

Onderwerp :

- Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), in het bijzonder de overwegingen 117 tot en met 121, overweging 125 en de artikelen 268 en 274 ervan

- Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures, in het bijzonder artikel 1, lid 1 en lid 2, onder a), ervan

- Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, in het bijzonder de artikelen 11 en 13 ervan

 

Feiten:

BVIG (verzoekster) heeft een schadeclaim o.b.v. een verkeersongeval (05.01.2018) waarbij schade berokkend werd door een verzekerde van Olympic aan een verzekerde van BVIG. Op 06.06.2018 stelt BVIG een regresvordering in bij Olympic ter hoogte van 7.603,63 BGN. Volgens Oluympic is deze vordering ongegrond. Beslissing van verwijzende rechter op 26.09.2018 om zaak te schorsen, met name vanwege het feit dat er een voorlopige liquidateur van Olympic is aangewezen. Hierop heeft de rechter de KFN (Commissie financieel toezicht) gevraagd of zij ervan in kennis was gesteld dat voor de bevoegde rechter in Cyprus ten aanzien van verweerster een liquidatie- of insolventieprocedure was geopend, waarop het KFN op 19.03.2019 ontkennend antwoordde. GH was zowel volmachtige van Olympic als voorlopig liquidateur.

 

Overweging:

Omdat het een vordering met internationaal element betreft en eventueel een vordering van een bedrijf dat in de thuissstaat in liquidatie is, verzoekt de verwijzende rechter te weten welke Unierechtelijke bepaling de interpretatie van een Bulgaarse bepaling moet leiden en wat de strekking van deze bepaling is. De tweede vraag ziet erop toe de rechten van de liquidateur en de geliquideerde vennootschap te beschermen wanneer in een andere lidstaat een vordering wordt ingesteld.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet er bij de uitlegging van artikel 630 van de Kodeks za zastrahovaneto (Bulgaarse verzekeringswet), in het licht van artikel 274 van richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II), van worden uitgegaan dat het besluit van een autoriteit van een lidstaat tot intrekking van de vergunning van een verzekeraar en tot aanwijzing van een voorlopige liquidateur zonder dat de gerechtelijke liquidatieprocedure is geopend, een „beslissing tot opening van een liquidatieprocedure” is?

2) Moeten, indien het nationale recht van de lidstaat van vestiging van een verzekeraar wiens vergunning is ingetrokken en ten aanzien van wie een voorlopige liquidateur is aangewezen, bepaalt dat in het geval van aanwijzing van een voorlopige liquidateur alle gerechtelijke procedures tegen deze verzekeringsmaatschappij moeten worden geschorst, de rechterlijke instanties van de andere lidstaten overeenkomstig artikel 274 van richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) deze juridische bepalingen toepassen, ook wanneer hun nationale recht hierin niet uitdrukkelijk voorziet?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:C-14/83; C-188/89; C-242/98; C-356/05; C-282/10; C-106/89; C-212/04;, C-378/07, C-379/07 en C-380/07;

Specifiek beleidsterrein: JenV, FIN