C-430/19 C.F.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 5 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 19 september 2019

Trefwoorden : fiscale bestuurshandeling; rechten van de verdediging; recht op toegang tot het administratieve dossier

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

 

Feiten:

Bij de Roemeense vennootschap C.F. SRL is een belastingcontrole uitgevoerd door de belastinginspectiedienst. De controle betrof vennootschapsbelasting en belasting over de btw. Vervolgens is een naheffingsaanslag voor vennootschapsbelasting en btw vastgesteld, waartegen C.F. bezwaar heeft ingediend. Het bezwaar is deels ongegrond verklaard en C.F. heeft in beroep nietigverklaring van de bestuurshandelingen betreffende de belastingcontrole gevorderd, omdat haar in de administratieve fase het recht op toegang tot het volledige administratieve dossier was ontzegd. Daarnaast is C.F. ervan beschuldigd fictieve handelstransacties met twee leveranciers op het gebied van vennootschapsbelasting en btw te hebben verricht. De belastingautoriteiten willen C.F. aansprakelijk stellen voor deze belastingfraude. Zij stellen dat de belastingfraude blijkt uit het feit dat C.F. naast de factuur geen andere bewijsstukken kan overleggen en dat de betrokken leveranciers onderworpen waren aan inkomstenbelasting voor micro-ondernemingen, terwijl C.F. onderworpen was aan de vennootschapsbelasting. C.F. stelt dat zij op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake de theorie van de onschuldige partij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor belastingfraude door haar leveranciers. C.F. stelt eveneens dat volgens de rechtspraak van het Hof geen sprake is van enig nadeel voor de staatkas aangezien haar leveranciers gebruik hebben gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om een andere belastingregeling te kiezen dan die zij zelf heeft gekozen.

 

Overweging:

Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke sanctie hij voor de schending van het recht op toegang tot het administratieve dossier door de belastinginspectiedienst moet opleggen. Met de tweede vraag wil de rechter weten of de beginselen van neutraliteit, evenredigheid en gelijkwaardigheid er aan in de weg staan dat een vennootschap niet wordt toegestaan het recht op aftrek van vennootschapsbelasting uit te oefenen wegens het onrechtmatig handelen van haar leveranciers. De derde vraag strekt ertoe te vernemen of een nationale praktijk waarbij de belastingplichtige naast de factuur ook andere bewijsstukken dient te leveren in overeenstemming is met het Unierecht. Tot slot vraagt de verwijzende rechter of het enkele feit dat door een dienstverlener en een afnemer van diensten voor een andere belastingregeling is gekozen, wat een wettelijk voorziene keuze is, kan worden aangemerkt als belastingfraude.

 

Prejudiciële vragen:

1) Kan en moet een ten aanzien van een particulier vastgestelde fiscale bestuurshandeling, gelet op het beginsel van de rechten van de verdediging zoals omschreven in de rechtspraak van het Hof (de arresten Solvay, Sopropé en Ispas), nietig worden verklaard indien de particulier geen toegang heeft gehad tot de

informatie op grond waarvan de hem betreffende fiscale bestuurshandeling is vastgesteld, ondanks dat in deze handeling wordt verwezen naar enkele gegevens in het administratieve dossier?

 

2) Staan de beginselen van neutraliteit, evenredigheid en gelijkwaardigheid in de weg aan de uitoefening van het recht op aftrek van btw en vennootschapsbelasting indien het een vennootschap die steeds al haar belastingverplichtingen is nagekomen niet wordt toegestaan om het recht op aftrek van vennootschapsbelasting uit te oefenen wegens het gedrag van leveranciers dat op grond van gegevens als het ontbreken van personeel en het ontbreken van transportmiddelen als onrechtmatig wordt aangemerkt, terwijl de belastingautoriteit geen stappen heeft ondernomen om de fiscale/strafrechtelijke

aansprakelijkheid van de respectievelijke leveranciers te onderzoeken?

 

3) Is een nationale praktijk volgens welke aan de uitoefening van het recht op aftrek van btw en vennootschapsbelasting de voorwaarde wordt gesteld dat de belastingplichtige naast de factuur ook andere bewijsstukken in bezit heeft, zoals een prijsopgave of een voortgangsverslag, terwijl deze aanvullende bewijsstukken in de nationale belastingregeling niet duidelijk en specifiek zijn vastgesteld,

verenigbaar met het Unierecht?

 

4) Kan er in het licht van het arrest WebMindLicenses worden geacht sprake te zijn van belastingfraude indien een belastingplichtige goederen en diensten verwerft van een belastingplichtige die gebruik maakt van een andere belastingregeling dan die van de eerstgenoemde belastingplichtige?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-255/02; C-349/07; C-482/10; C-109/10 P; C-324/11; C-18/13; C-129/13; C-277/14; C-419/14; C-298/16.

 

Specifiek beleidsterrein: FIN-FISC, JenV & BZK