C-434/19 en C-435/19 Poste Italiane e.a.

C-434/19 en C-435/19 Poste Italiane e.a.

Prejudiciële hofzaken

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 2 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 19 september 2019

Trefwoorden : Staatssteun, Dienst van algemeen economisch belang, Postbankdiensten

Onderwerp :

- Artikelen 14, 102, lid 1, 106, lid 2, 107, lid 1 en 108 VWEU

 

Feiten:

Poste Italiane had een wettelijk monopolie op het verlenen van postbankdiensten, waartoe gemeenten in Italië verplicht waren tot 2011 een postrekening te hebben voor invordering van lokale belastingen. Poste Italiane heeft een dispuut met de lokale overheid van Palermo en andere Siciliaanse provincies over de provisie over de periode van 1997-2001, omdat deze volgens de provincie onrechtmatig is (vergoeding voor een door de wet opgelegde beheerdienst). Geding is aanhangig bij het Cassatiehof van Italië.

 

Overweging:

Met het oog op de feiten verzoekt de Corte di Cassazione van het Hof te horen of het wettelijk monopolie van Poste Italiane wel rechtmatig is en of er mogelijk sprake is van niet-aangemelde staatssteun. Van belang hierbij is of Poste Italiane een dienst van algemeen economisch belang levert. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter zich af of het eenzijdig vaststellen van de vergoeding die Poste italiane krijgt voor betalingshandelingen die het verricht voor de lokale overheden door het Unierecht getolereerd worden. Tot slot wil de rechter, met het oog op Unierechtspraak, uitsluitsel over de vraag of het vastzitten aan Poste Italiane, door de wettelijke onmogelijkheid tot opzeggen van haar diensten door de lokale overheden in lijn is met het Unierecht of niet.

 

Prejudiciële vragen:

1) Verzetten artikel 14 VWEU (voorheen eerst artikel 7D van het Verdrag, vervolgens artikel 16 EG), artikel 106, lid 2, VWEU (voorheen eerst artikel 90 van het Verdrag, vervolgens artikel 86, lid 2, EG) en de kwalificatie als dienst van algemeen economisch belang (DAEB) zich tegen een regeling als die van artikel 10, lid 3, van wetsbesluit nr. 504/1992 juncto artikel 2, leden 18 tot en met 20, van wet nr. 662/1996, volgens welke – ook na de privatisering van de door Poste Italiane SpA verleende postbankdiensten – aan Poste Italiane SpA een activiteit wordt en blijft voorbehouden (wettelijk monopolie) betreffende het beheer van postrekeningen waarop de plaatselijke onroerendezaakbelasting wordt betaald, gelet op het feit dat de nationale regelgeving op het gebied van belastinginvordering zich aldus heeft ontwikkeld dat belastingplichtigen en ook lokale belastingkantoren in elk geval sinds 1997 belastingen (ook lokale) vrij via het banksysteem kunnen betalen en invorderen?

 

2) Indien het antwoord op de eerste vraag luidt dat de instelling van een wettelijk monopolie de kenmerken van een DAEB heeft, verzetten artikel 106, lid 2, VWEU (voorheen eerst artikel 90 van het Verdrag, vervolgens artikel 86, lid 2, EG) en artikel 107, lid 1, VWEU (voorheen eerst artikel 92 van het Verdrag, vervolgens artikel 87 EG) – volgens de uitlegging die het Hof van Justitie aan deze bepalingen heeft gegeven met betrekking tot de criteria om een wettige maatregel (ter financiering van verplichtingen betreffende openbare diensten) te onderscheiden van onwettige staatssteun (arrest van 24 juli 2003, C-280/00, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg/Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH) – zich dan tegen een regeling als die welke volgt uit artikel 10, lid 3, van wetsbesluit nr. 504/1992, artikel 2, leden 18 tot en met 20, van wet nr. 662/1996, en artikel 3, lid 1, van besluit nr. 144/2001 van de president van de Republiek, in onderlinge samenhang gelezen, die aan Poste Italiane SpA de bevoegdheid toekent om eenzijdig de hoogte vast te stellen van de „provisie” die de met de invordering van de gemeentelijke onroerendezaakbelasting belaste concessiehouder (gemachtigde) verschuldigd is en die van toepassing is op elke handeling van beheer die op de postrekening op naam van de concessiehouder/gemachtigde wordt verricht, gelet op het feit dat Poste Italiane SpA deze provisie bij besluit van de raad van bestuur nr. 57/1996 heeft vastgesteld op 100 ITL voor de periode van 1 april 1997 tot en met 31 mei 2001 en op 0,23 EUR voor de periode na 1 juni 2001?

 

3) Verzetten artikel 102, lid 1, VWEU (voorheen eerst artikel 86 van het Verdrag, vervolgens artikel 82, lid 1, EG), zoals uitgelegd door het Hof van Justitie (zie arresten van 13 december 1991, GB Inno BM, C-18/88; 25 juni 1998, Chemische Afvalstoffen Dusseldorp BV, C 203/96, en 17 mei 2001, TNT TRACO SpA, C-340/99), zich tegen een regeling als die welke tot stand is gebracht door artikel 2, leden 18 tot en met 20, van wet nr. 662/1996, artikel 3, lid 1, van besluit nr. 144/2001 van de president van de Republiek, en artikel 10, lid 3, van wetsbesluit nr. 504/1992, volgens welke de concessiehouder (gemachtigde) noodzakelijkerwijze de „provisie” moet betalen, die door Poste Italiane SpA eenzijdig wordt vastgesteld en/of gewijzigd, en de overeenkomst betreffende de postrekening niet kan opzeggen omdat hij anders in strijd met de verplichting van artikel 10, lid 3, van wetsbesluit nr. 504/1992 handelt en derhalve de verplichting tot invordering van de onroerendezaakbelasting die hij jegens het lokale belastingkantoor op zich heeft genomen, niet nakomt?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Régie des télégraphes et des téléphones v GB-Inno-BM SA, C-18/88; Chemische Afvalstoffen Dusseldorp BV and Others v Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, C-203/96; TNT Traco SpA v Poste Italiane SpA and Others; C-304/99; Altmark Trans GmbH and Regierungspräsidium Magdeburg v Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH, and Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht, C-280/00.

Specifiek beleidsterrein: EZK, BZK, FIN-FISC