C-439/19 Latvijas Republikas Saeima

C-439/19 Latvijas Republikas Saeima

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 12 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 29 september 2019

Trefwoorden : AVG, persoonsgegevens, strafpunten verkeersovertredingen, voorrang Unierecht

Onderwerp :

- Artikel 16, lid 1, VWEU

- Artikel 8, lid 1, Handvest

- Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens

- Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)

- Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie

 

Feiten:

B (verzoeker) stelt dat een specifiek wetsartikel aangenomen door het Letse Parlement (de Latvijas Republikas Saeima) ongrondwettig is. Op grond van deze bepaling is bepaalde informatie die is opgenomen in het nationale register van voertuigen en bestuurders alsmede in het informatiesysteem inzake tractiemiddelen en bestuurders, aan te merken als informatie die toegankelijk is voor het publiek. Zo kan op grond hiervan informatie over de hoeveelheid strafpunten die aan verzoeker zijn toegekend wegens verkeersovertredingen worden gedeeld met een ieder.

 

Overweging:

De verwijzende rechter verzoekt in essentie te weten of verordening 2016/679 en richtlijn 2003/98 in de weg staan aan nationale wetgeving zoals de Letse regeling op grond waarvan voornoemde informatie toegankelijk wordt gemaakt voor het publiek Daarnaast vraagt de verwijzende rechter om uitleg van het beginsel van voorrang van het Unierecht en het beginsel van rechtszekerheid. Dit doet hij met het oog op de toepasselijkheid van de in het hoofdgeding betwiste nationale bepaling en de mogelijkheid de rechtsgevolgen ervan te beperken tot de eindbeslissing van de verwijzende rechter in onderhavig geding in kracht van gewijsde gaat.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet het begrip „verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen” in de zin van artikel 10 van verordening nr. 2016/679 aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op de verwerking van informatie over de strafpunten die wegens verkeersovertredingen aan bestuurders worden toegekend, zoals vastgesteld in de betwiste bepaling?

 

2) Ongeacht het antwoord op de eerste vraag, kunnen de bepalingen van verordening nr. 2016/679, in het bijzonder het in artikel 5, lid 1, onder f), van deze verordening neergelegde beginsel van „integriteit en vertrouwelijkheid”, aldus worden uitgelegd dat deze eraan in de weg staan dat de lidstaten vaststellen dat informatie over de strafpunten die wegens verkeersovertredingen aan bestuurders worden toegekend, toegankelijk is voor het publiek en toestaan dat de overeenkomstige persoonsgegevens worden verwerkt door middel van de mededeling ervan?

 

3) Moeten de overwegingen 50 en 154, artikel 5, lid 1, onder b), en artikel 10 van verordening nr. 2016/679 en artikel 1, lid 2, onder c quater), van richtlijn 2003/98/EG aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan is toegestaan dat informatie over de strafpunten die wegens verkeersovertredingen aan bestuurders worden toegekend, wordt doorgegeven met het oog op hergebruik?

 

4) Indien een van de voorgaande vragen bevestigend wordt beantwoord, moeten het beginsel van de voorrang van het Unierecht en het beginsel van rechtszekerheid aldus worden uitgelegd dat de betwiste bepaling mag worden toegepast en de rechtsgevolgen ervan mogen worden gehandhaafd tot de eindbeslissing van de Satversmes tiesa in kracht van gewijsde gaat?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Deutsche Post AG, C-496/17; Stichting ROM projecten, C-158/06; C-345/06; 106/77; C-409/06;

Specifiek beleidsterrein: JenV, BZK