C-44/19 Repsol Petróleo

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 26 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 12 mei 2019

Trefwoorden : accijns; energie;

Onderwerp :

- Richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën;

- Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit;

 

Feiten:

Repsol kwam op tegen de uitspraak van de rechter in eerste aanleg tot afwijzing van haar klacht tegen de opgelegde aanslag in de accijns op minerale oliën voor de boekjaren 2007 en 2008. Deze aanslag vloeide voort uit de correctie van het eigen verbruik van stookolie en gasvormige brandstoffen in de raffinaderijen van Repsol bij het productieproces van minerale oliën of energieproducten dat hier plaatsvindt. Volgens de belastingdienst moest voor deze correctie rekening worden gehouden met het pro rata deel van dit eigen verbruik dat overeenkwam met het aandeel van de verkregen restproducten die volgens de Spaanse wet 38/1992 van 28 december inzake accijnzen (hierna: LIE) geen minerale oliën waren. Repsol stelde dat de toegepaste correctie in strijd was met artikel 21(3) van richtlijn 2003/96 aangezien werd uitgegaan van een uitlegging van artikel 47(1)b) van de LIE die in strijd was met voornoemde bepaling van de richtlijn. De belastingdienst stelde de niet-belastbaarheid van het omstreden eigen verbruik afhankelijk van een eis die noch in de richtlijn noch in de LIE is vastgesteld, namelijk dat alle uit het eigen verbruik voortvloeiende producten minerale oliën en bijgevolg energieproducten moesten zijn. Subsidiair vroeg Repsol een prejudiciële vraag over deze kwestie voor te leggen aan het Hof. In de bestreden beslissing wordt verklaard dat het Unierecht voorrang heeft, en worden, op basis daarvan twee vaststellingen gedaan. Ten eerste wordt vastgesteld dat het eigen verbruik van gasvormige brandstoffen en stookolie niet belastbaar is voor wat betreft het aandeel van deze producten dat overeenkomt met het aandeel van de verkregen producten die volgens de LIE wél moesten worden aangemerkt als minerale oliën, en dit op basis van de overweging dat, aangezien het raffineren van ruwe aardolie een integraal productieproces is, op het eigen verbruik de zogenaamde pro rata-methode moest worden toegepast. Ten tweede wordt vastgesteld dat de belastbaarheid van dergelijk eigen verbruik dat de belastingdienst had toegerekend aan niet-energiegerelateerde producten, rechtmatig is.

 

Overweging:

Om het onderhavige cassatieberoep te beslechten, moet de verwijzende rechter de bepalingen vergelijken van de twee richtlijnen die opeenvolgend van toepassing waren op de bestreden kwestie: Artíkel 4(3) van richtlijn 92/81 en artikel 21(3) van richtlijn 2003/96. Na deze vergelijking moet worden beslist of de verdwijning van de zinsnede “voor zover het om verbruik ten behoeve van die productie gaat”, moet worden beschouwd als een herziening van de regelgeving waardoor ook het eigen verbruik van energieproducten in verband met de eindproducten die in hetzelfde productieproces worden verkregen en niet worden aangemerkt als energieproducten, als niet-belastbaar moet worden beschouwd. De vraag rijst of de nieuwe regelgeving tot doel had elk verbruik dat enig verband houdt met de productie van energieproducten niet langer als belastbaar feit aan te merken. Bovendien moet worden uitgemaakt of de verwijzende rechter zijn rechtspraak volgens welke een dergelijk eigen verbruik werd geacht deel uit te maken van het belastbare feit en onderworpen was aan belasting, dient te wijzigen en te verlaten

 

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 van 27 oktober aldus worden uitgelegd dat over het eigen verbruik van energieproducten in de bedrijfsinstallaties van de producent accijns op minerale oliën kan worden geheven naar rato van het aandeel van de door dat eigen verbruik verkregen niet-energiegerelateerde producten?

Of staat het doel van die bepaling, dat erin is gelegen het gebruik van energieproducten dat noodzakelijk wordt geacht voor de verkrijging van eindenergieproducten niet te belasten, er daarentegen aan in de weg dat accijns wordt geheven over dat deel van het eigen verbruik dat leidt tot de verkrijging van andere, niet-energiegerelateerde producten, zelfs indien het restproducten betreft die onvermijdelijk worden verkregen omwille van het productieproces zelf?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal

​​​​​​​