C-454/19 Statsanwaltschaft Heilbronn

C-454/19 Statsanwaltschaft Heilbronn

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 2 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 19 september 2019

Trefwoorden : Onttrekking ouderlijk gezag, vrij verkeer

Onderwerp :

- Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG

 

Feiten:

ZW (verdachte, Roemeense) heeft bestaan opgebouwd in Duitsland, waarna haar zoon in 2009 bij haar is komen wonen (AW). QN, vader van AW, woont in Roemenië waar hij werkt, en heft in het verleden Duitsland bezocht. ZW kampt met opvoedingsproblematiek waarvoor zij is gesteund. In 2012 wordt naar QN afgereisd voor aanvraag nieuw paspoort, maar bij terugkomst vertoont AW nog steeds gedragsproblematiek waarvoor hij, met toestemming van verdachte door de dienst Jeugdzorg in een instelling werd geplaatst (2013). QN gaf ook (desalniettemin met “tegenzin”) toestemming. Beslissing van rechter op 14.11.2014 waarbij QN en ZW niet meer over de verblijfsplaats etc. kunnen beslissen en deze beslissingsmogelijkheid toekomt aan het Landsratsamt Heilbronn. Omdat AW onhandelbaar was binnen de instellingen is hij met toestemming van het Landsratsamt teruggeplaatst bij zijn moeder. Op 03.03.2017 stelde het Landsratsamt voor het ouderlijk gezag weer terug over te dragen aan ZW. Dit is echter niet gebeurd. QN heeft AW meegenomen naar Roemenië met toestemming van ZW, maar omdat het ouderlijk gezag niet bij haar is teruggelegd heeft de gezinsvoogd aangifte gedaan van onttrekking aan het wettig gezag. Dit is strafbaar gesteld in Duitsland.

 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt aan de verenigbaarheid van deze strafbaarstelling met het Unierecht, omdat AW op basis van richtlijn 2004/38 het recht heeft het grondgebied van een lidstaat te mogen verlaten. De strafbaarstelling belet zowel de ouders als het kind gebruik te maken van zijn recht op vrij verkeer binnen de Unie, zowel wanneer er op vakantie gegaan wordt of naar een andere lidstaat wordt verhuisd. Dit is een andere situatie dan die geldt voor Duitse ouders van Duitse kinderen, waarbij de moeder (in de positie van ZW) haar kind naar zijn vader terug wil brengen in een andere Duitse deelstaat. Dit is geoorloofd. Vandaar de vragen inzake de verenigbaarheid van de strafbaarstelling met het Unierecht en het beginsel van gelijke behandeling.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet het primaire en/of afgeleide Unierecht, in casu meer bepaald richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad, in de zin van een ongeclausuleerd recht van de burgers van de Unie van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op nationale strafrechtelijke bepalingen?

 

2) Ingeval de vraag bevestigend wordt beantwoord: staat de uitlegging van het primaire en/of afgeleide Unierecht in de weg aan de toepassing van een nationale strafrechtelijke bepaling waarbij de onttrekking van een kind aan zijn voogd in het buitenland strafbaar is gesteld, wanneer in die bepaling geen onderscheid wordt gemaakt tussen lidstaten van de Europese Unie en derde landen?

 

Specifiek beleidsterrein: JenV