C-456/19 Aktiebolaget Östgötatrafiken

C-456/19 Aktiebolaget Östgötatrafiken

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 1 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 18 september 2019

Trefwoorden : Intellectuele eigendom, beeldmerken

Onderwerp :

- Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrech der lidstaten

Feiten:

Östgötatrafiken (verzoekster) bezit bepaalde beeldmerken, heeft een aanvraag voor een merk gedaan bij het bureau voor intellectuele eigendom in Zweden voor de beschildering van voertuigen op een bepaalde manier. Deze zijn afgewezen, omdat ze louter decoratief zijn en niet als aanduiding van de diensten dienen. Tegen deze beslissing heeft verzoekster beroep ingesteld in eerste instantie, welke is verworpen. In tweede instantie (bij de verwijzende rechter) vordert verzoekster opnieuwe dat zij beeldmerken aanvraagt op basis van al eerder ingeschreven beeldmerken.

 

Overweging:

Verwijzende rechter wil in wezen weten of, zoals verzoekster aandraagt, positiemerken die zijn omschreven als ellipsen van verschillende omvang in rood, wit en oranje, die zijn aangebracht op bussen en treinen waarmee diensten worden verricht als zodanig, en of deze merken onderscheidend vermogen hebben gelet op de rechtspraak van het Hof.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 4, lid 1, onder b), van de merkenrichtlijn aldus worden uitgelegd dat, in het geval van een aanvraag tot inschrijving van een merk ter aanduiding van diensten, welke aanvraag betrekking heeft op een teken dat in een bepaalde positie is aangebracht en grote vlakken van de fysieke voorwerpen bedekt waarmee de diensten worden verricht, moet worden beoordeeld of het merk al dan niet losstaat van het uiterlijk van de betrokken voorwerpen?

 

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is het noodzakelijk dat het merk op significante wijze afwijkt van de norm of van wat in de betrokken economische sector gangbaar is om het te kunnen aanmerken als een merk dat onderscheidend vermogen heeft?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-53/01 – C-55/01; Koninklijke KPN Nederland, C-363/99; C-456/01 P en C-457/01 P; Mag Instrument/BHIM, C-136/02 P; Procter & Gamble/BHIM, C-473/01 P en C-474/01 P; C-144/06 P; C-25/05 P; C-417/16 P; C-344/10 P en C-345/10 P;, C-445/02 P; X Technology Swiss/BHIM, T-547/08; Sartorius Lab Instruments/BHIM, T-331/12;, K-Swiss/BHIM, T-85/13; Apple, C-421/13

Specifiek beleidsterrein: EZK