C-472/19 Vert Marine

C-472/19 Vert Marine

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 8 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 25 september 2019

Trefwoorden: dwingende inschrijvingsverboden, concessieovereenkomsten, nalevingsmaatregelen

Onderwerp :

- Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten

 

Feiten:

Verzoeker (Vert Marine) betwist de wettigheid van een decreet van verweerders (Franse Premier en minister van Economie en Financiën), omdat zij toepassing geven aan een bepaling uit een ordonnantie die onverenigbaar zou zijn met de doelstellingen van artikel 38 van richtlijn 2014/23/EU. Vert Marine betwist de bepaling die inhoudt dat een ondernemer die ernstige strafbare feiten heeft gepleegd in strijd met de bepaling uit de ordonnantie, geen mogelijkheid heeft zijn betrouwbaarheid aan te tonen bij een aanbestedende dienst. Deze ondernemer wordt dus de facto uitgesloten van het sluiten van een concessieovereenkomst.

 

Overweging:

Middels zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter weten of een uitsluitingsgrond zoals hierboven uiteengezet onverenigbaar is met richtlijn 2014/23/EU. Daarnaast wordt verzocht om bij deze toets in acht te nemen dat in het Franse recht verschillende mechanismen bestaan die volgens de verwijzende rechter passende nalevingsmaatregelen zijn en die door de Franse gerechtelijke autoriteiten worden toegepast. Van belang daarbij is het of deze autoriteiten deze nalevingsmaatregelen mogen hanteren en of zij aan de standaarden voor deze nalevingsmaatregelen voldoen. Hierop ziet de tweede vraag.

 

Prejudiciële vragen:

1) Dient richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 april 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten aldus te worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de wetgeving van een lidstaat, met het oog op de invoering van ethische normen bij overheidsopdrachten, een ondernemer die bij onherroepelijk vonnis is veroordeeld voor een bijzonder ernstig strafbaar feit en aan wie om die reden het verbod is opgelegd om gedurende vijf jaar deel te nemen aan een procedure voor de plaatsing van een concessieovereenkomst, niet de mogelijkheid biedt om bewijzen over te leggen waaruit blijkt dat de door hem genomen maatregelen volstaan om zijn betrouwbaarheid bij de aanbestedende dienst aan te tonen, ondanks het bestaan van deze uitsluitingsgrond?

 

2) Wanneer richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 april 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten de lidstaten toestaat om aan andere autoriteiten dan de betrokken aanbestedende dienst de taak toe te vertrouwen om de nalevingsmaatregelen van de ondernemers te beoordelen, betekent deze mogelijkheid dan dat zij dit kunnen toevertrouwen aan de gerechtelijke autoriteiten? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, kunnen mechanismen als de in het Franse recht voorziene ontheffing, gerechtelijke rehabilitatie en weglating van de vermelding van een veroordeling in formulier 2 van het strafblad, gelijkgesteld worden met nalevingsmaatregelen in de zin van de richtlijn?

 

Specifiek beleidsterrein: EZK, BZK, JenV