C-477/19 Magistrat der Stadt Wien

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 21 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 7 oktober 2019

Trefwoorden : habitatrichtlijn;

Onderwerp :

- Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (habitatrichtlijn);

 

Feiten:

Verzoeker is werknemer van een projectontwikkelaar dat met de planning en organisatie van een bouwproject door derde ondernemingen was belast. Wegens zijn bijzondere leidinggevende positie in het

bedrijf moeten eventuele inbreuken door dit bedrijf op de voorschriften van de Weense natuurbeschermingswet aan verzoeker worden toegerekend, wanneer hij niet aannemelijk kan maken dat hij alles heeft gedaan om deze inbreuken te voorkomen. Verzoeker wordt de vernieling/beschadiging van een rust- en/of voortplantingsplaats van veldhamsters verweten; dit wordt betwist door verzoeker. De bestuursrechter in eerste aanleg moet het bezwaar tegen de door de bestuurlijke instantie opgelegde geldboete beoordelen.

 

Overweging:

De begrippen „rustplaats”, „voortplantingsplaats”, „beschadiging” en „vernieling” van de Weense natuurbeschermingswet hebben dezelfde betekenis als de gelijkluidende begrippen in de habitatrichtlijn. De uitlegging van deze begrippen van artikel 12(1)d) van de habitatrichtlijn is daarom bepalend voor de uitkomst van het hoofdgeding.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet het begrip „rustplaats” in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn aldus worden uitgelegd dat daaronder ook voormalige rustplaatsen vallen die inmiddels zijn verlaten? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord: Moet iedere inmiddels verlaten voormalige rustplaats als een „rustplaats” in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn worden aangemerkt? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een inmiddels verlaten voormalige rustplaats als een „rustplaats” in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn moet worden aangemerkt?

2. Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een ingreep in een „rustplaats” in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is?

3. Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een dusdanig zwaarwegende ingreep in een „rustplaats” in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is, dat van een „beschadiging”, eveneens in de zin van dit artikel, van deze „rustplaats” moet worden uitgegaan?

4. Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een dusdanig zwaarwegende ingreep in een „rustplaats” in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is, dat van „vernieling”, eveneens in de zin van dit artikel, van deze „rustplaats” moet worden uitgegaan?

5. Moet het begrip „voortplantingsplaats”, in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarmee, op de eerste plaats, enkel de exact af te bakenen plaats waar regelmatig paringshandelingen in strikte zin of handelingen binnen een begrensd gebied die direct met de voortplanting verband houden (zoals bijvoorbeeld kuitschieten) plaatsvinden, wordt bedoeld en, op de tweede plaats, dat onder een „voortplantingsplaats” ook alle exact af te bakenen plaatsen vallen die strikt noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van het jonge dier, zoals bijvoorbeeld broedplaatsen of plantendelen die van belang zijn voor het larve- of rupsstadium? Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord: Hoe moet het begrip „voortplantingsplaats”, in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn, worden opgevat en hoe moet een „voortplantingsplaats” ten opzichte van andere plaatsen ruimtelijk worden afgebakend?

6. Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een ingreep in een „voortplantingsplaats”, in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is?

7. Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een dusdanig zwaarwegende ingreep in een „voortplantingsplaats”, in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn, is, dat van „beschadiging”, eveneens in de zin van dit artikel, van deze „voortplantingsplaats” moet worden uitgegaan?

8. Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een dusdanig zwaarwegende ingreep in een „voortplantingsplaats”, in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn, is, dat van „vernieling”, eveneens in de zin van dit artikel, van een „voortplantingsplaats” moet worden uitgegaan?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: LNV; IenW