C-48/20 P

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     27 maart 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     13 mei 2020

Trefwoorden : BTW, facturen, evenredigheid, belastingcontrole

Onderwerp :

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn).

 

Feiten:

Bij besluit van 27-06-2014 heeft de hoofd van de belastingdienst de btw-verplichtingen van de in Litouwen gevestigde verzoekende vennootschap UAB P. voor de perioden van maart tot en met december 2011 vastgesteld, alsmede de te veel betaalde belasting voor de perioden van maart tot en met juni 2011 en de overeenkomstig artikel 108, lid 1, van de btw-wet verschuldigde belasting. De belastingdienst heeft vraagtekens geplaatst bij het recht van verzoekster op aftrek van de voorbelasting uit hoofde van facturen van tankstations die aan haar zijn uitgereikt voor de aankoop van brandstof. Volgens de belastingdienst kon verzoekster noch als afnemer noch als leverancier van brandstof worden aangemerkt. De eigenlijke activiteit van verzoekster bestond in het financieren van de met behulp van tankkaarten bij tankstations verrichte aankoop van dieselolie door Litouwse bedrijven. Overeenkomstig de btw-wet vormen dergelijke activiteiten van belasting vrijgestelde financiële diensten. Bij besluit van 02-10-2014 heeft de directeur van de fiscale kamer (Dyrektor) het primaire besluit van de belastingdienst in zijn geheel nietig verklaard op grond dat de belastingdienst de plaats van heffing van belasting over de door verzoekster verrichte activiteiten onjuist heeft vastgesteld. Volgens de autoriteit die het secundaire besluit heeft gegeven, hield verzoekster zich niet bezig met de verkoop of levering van brandstof op het grondgebied van Polen. De brandstof werd namelijk rechtstreeks van het benzinestation overgedragen aan de Litouwse bedrijven, die met behulp van een kaart en zonder contant geld brandstof tankten bij Poolse benzinestations. Verzoekster had niet het recht om als eigenaar over de brandstof te beschikken en haar eigenlijke activiteit bestond in het financieren van dieselolie die door haar medecontractanten bij tankstations werd aangekocht met behulp van tankkaarten. Verzoekster is tegen het secundaire besluit opgekomen. De bestuursrechter in eerste aanleg (WSA) heeft het besluit van de Dyrektor bij beslissing van 07-04-2015 nietig verklaard. Naar aanleiding van het cassatieberoep van de Dyrektor heeft de hoogste bestuursrechter de beslissing van de rechter in eerste aanleg vernietigd en de zaak voor verdere afdoening terugverwezen naar de WSA. De WSA is van oordeel dat de door verzoekster uitgereikte verkoopfacturen niet moeten worden afgewikkeld in de belastingaangifte VAT-7, maar dat zij de erop vermelde belasting krachtens artikel 108, lid 1, van de btw-wet niettemin verschuldigd is. Door het uitreiken van de betwiste btw-facturen aan Litouwse marktdeelnemers die niet het werkelijke economische verkeer weerspiegelen, heeft verzoekster een situatie gecreëerd waarin de ontvangers van deze facturen de daarop vermelde belasting als aftrekbare voorbelasting konden behandelen dan wel om teruggaaf van deze belasting konden verzoeken.

 

Overweging:

Uit het dossier van de zaak blijkt duidelijk dat verzoekster ondanks haar verklaringen niet heeft deelgenomen aan ketentransacties ter zake van de levering van brandstof aan Litouwse vervoerondernemingen maar dat zij aan Litouwse marktdeelnemers enkel financiële diensten heeft verleend die in Polen niet belastbaar zijn. Het lijdt evenwel geen twijfel dat verzoekster, die in dit opzicht te goeder trouw heeft gehandeld, haar Litouwse medecontractanten in 2011 onjuiste facturen heeft uitgereikt met vermelding van verschuldigde btw. Derhalve is formeel voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 108, lid 1, van de btw-wet, waarbij artikel 203 van de btw-richtlijn ten uitvoer is gelegd. De verwijzende rechter verwijst naar het arrest van het Hof Rusedespred en concludeert dat wanneer de uitreiker van de factuur aantoont dat hij te goeder trouw is, deze ter waarborging van de neutraliteit van de btw de mogelijkheid moet hebben om ten onrechte gefactureerde belasting in overeenstemming met de door de lidstaat vastgestelde procedure te herzien. De Poolse wetgeving voorziet evenwel niet in een dergelijke procedure voor herziening van belasting door een belastingbetaler naar aanleiding van een belastingcontrole of nadat er een belastingprocedure tegen hem is ingeleid. De toepassing van artikel 108 van de btw-wet op de uit dien hoofde betwiste facturen van verzoekster onder gelijktijdige heffing van belasting op de leveringen van brandstof door de tankstations aan de Litouwse bedrijven leidt bijgevolg evenwel tot een dubbele heffing van btw op dezelfde transactie. Derhalve bestaat er gerede twijfel of de belastingautoriteiten in een situatie als in de onderhavige zaak aan de orde, rekening houdend met de beginselen van neutraliteit en evenredigheid, een norm als artikel 108, lid 1, van de btw-wet (artikel 203 van de btw-richtlijn) kunnen toepassen, waarbij verzoekster de mogelijkheid wordt ontnomen de onjuiste facturen te herzien.

 

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 203 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1, zoals gewijzigd) en het evenredigheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij zich in een situatie als in het hoofdgeding aan de orde verzetten tegen de toepassing van een nationale bepaling als artikel 108, lid 1, van de ustawa o podatku od towarów i usług van 11 maart 2004 (Dz. U. 2011, nr. 177, volgnr. 1054, zoals gewijzigd) op facturen waarop ten onrechte btw is vermeld en die zijn uitgereikt door een te goeder trouw handelende belastingplichtige, indien:

- de handeling van de belastingplichtige geen belastingfraude betrof maar het gevolg was van een onjuiste uitlegging van de wettelijke bepalingen door de bij de transactie betrokken partijen op basis van een door de belastingautoriteiten gegeven uitlegging daarvan, alsmede van een gangbare praktijk ten tijde van de transactie, waarbij ten onrechte is aangenomen dat de uitreiker van de factuur leveringen van goederen verricht, terwijl hij in werkelijkheid een van btw vrijgestelde financiële bemiddelingsdienst verricht, en

- de ontvanger van de factuur waarop ten onrechte btw is vermeld, het recht zou hebben te verzoeken om teruggaaf daarvan indien de belastingplichtige de transactie correct had gefactureerd uit hoofde van daadwerkelijk aan de ontvanger geleverde goederen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Vega International Car Transport and Logistic (C-235/18), Auto Lease Holland (C-185/01), (C-138/12), EN.SA. (C-712/17),

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal