C-481/19 Consob

C-481/19 Consob

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 28 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 14 oktober 2019

Trefwoorden : grondrecht (zelfincriminatie); handel; sanctie

Onderwerp :

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikelen 47 en 48 en 52(3);

- Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik);

- Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie;

 

Feiten:

De Consob (nationale commissie voor het vennootschaps- en beurswezen) heeft bestuursrechtelijke sancties opgelegd aan DB. DB is o.a. gesanctioneerd omdat hij had geweigerd de aan hem gestelde vragen te beantwoorden (artikel 187-quinquiesdecies). Laatstgenoemde bepaling voorziet in de bestraffing van “eenieder die niet binnen de gestelde termijn gehoor geeft aan verzoeken van de Consob of door wie de Consob vertraging in de uitoefening van haar taken oploopt” en is ingevoerd ter uitvoering van de in artikel 14(3) van richtlijn 2003/6 bepaalde algemene verplichting tot samenwerking met de toezichthoudende autoriteit. Tegen het besluit van de Consob heeft DB bezwaar aangetekend omdat volgens hem de opgelegde sanctie uit hoofde van artikel 187-quinquiesdecies onwettig was. De Corte d’appello di Roma heeft het bewaar afgewezen. Daarop heeft DB cassatieberoep tegen dat vonnis ingesteld.

 

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat het gevaar bestaat dat een eventuele ongrondwettigverklaring van artikel 187-quinquiesdecies in strijd is met het Unierecht. Anderzijds zou die in het afgeleide Unierecht bepaalde verplichting onverenigbaar kunnen zijn met de artikelen 47 en 48 van het Handvest, die nochtans het grondrecht van een particulier om niet mee te werken aan zelfincriminatie en om niet ertoe

gedwongen te worden verklaringen af te leggen die neerkomen op een bekentenis, lijken te erkennen binnen dezelfde grenzen als die welke uit artikel 6 EVRM en artikel 24 van de Italiaanse grondwet kunnen worden afgeleid. De verwijzende rechter wenst daarom van het Hof te vernemen wat de juiste uitlegging is van artikel 14(3) van richtlijn 2003/6, voor zover deze bepaling ratione temporis nog steeds van toepassing is, en van artikel 30(1)b) van verordening 596/2014 en of deze bepalingen geldig zijn in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest.

 

Prejudiciële vragen:

a) Moeten artikel 14, lid 3, van richtlijn 2003/6/EG, voor zover deze bepaling ratione temporis nog steeds van toepassing is, en artikel 30, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 596/2014 aldus worden uitgelegd dat een lidstaat op grond van deze bepalingen mag besluiten om geen sanctie op te leggen aan degene die weigert om vragen van de bevoegde autoriteit te beantwoorden waaruit zou kunnen blijken dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit dat met bestuursrechtelijke sancties van „punitieve” aard wordt bestraft?

b) Indien de vraag onder a) ontkennend wordt beantwoord, zijn artikel 14, lid 3, van richtlijn 2003/6/EG, voor zover het ratione temporis nog steeds van toepassing is, en artikel 30, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 596/2014 dan verenigbaar met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ook in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens betreffende artikel 6 EVRM en van de grondwettelijke tradities die de lidstaten gemeen hebben, voor zover volgens eerstgenoemde bepalingen ook een sanctie moet worden opgelegd aan degene die weigert om vragen van de bevoegde autoriteit te beantwoorden waaruit zou kunnen blijken dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit dat met bestuursrechtelijke sancties van „punitieve” aard wordt bestraft?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Di Puma en Consob C-596/16 en C-597/16; Real Estate SA e.a. C-537/16; EHRM 4 oktober 2005 Verenigd Koninkrijk, EHRM 5 april 2012 Zwitserland; C-374/87; SGL Carbon C-301/04 P; Mannesmannröhren-Werke AG T-112/98.

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZK; JenV