C-484/19 Lexel

C-484/19 Lexel

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 22 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 8 oktober 2019

Trefwoorden : inkomstenbelasting; vrijheid van vestiging;

Onderwerp :

- VWEU artikelen 49 en 54;

 

Feiten:

Het betreft hier de vraag of het met de in artikel 49 VWEU erkende vrijheid van vestiging verenigbaar is om bij de belastingheffing te weigeren de aftrek van bepaalde rente-uitgaven toe te staan. De vraag is gerezen in een zaak waarin een Zweedse vennootschap geen rente mocht aftrekken die zij had betaald aan een van dezelfde groep deel uitmakende Franse vennootschap. De Franse vennootschap heeft de ontvangen rente kunnen verrekenen met verliezen waartoe de Franse activiteiten van de groep aanleiding hadden gegeven. De aftrek is geweigerd op grond van een bepaling volgens welke de rente-uitgaven die verband houden met een schuld jegens een onderneming die deel uitmaakt van dezelfde groep verbonden ondernemingen, niet kunnen worden afgetrokken indien de belangrijkste reden voor het ontstaan van de schuld erin bestaat de groep een aanzienlijk belastingvoordeel te verschaffen. In de totstandkomingsgeschiedenis van de betreffende bepaling wordt vermeld dat het niet de bedoeling is dat deze toepassing vindt op rentebetalingen tussen ondernemingen die onderling winsten en verliezen kunnen verrekenen door zogenoemde groepsbijdragen. De regels inzake deze bijdragen gelden alleen voor ondernemingen die belastingplichtig zijn in Zweden. Onder meer daarom is in de onderhavige zaak in twijfel getrokken of het met de vrijheid van vestiging verenigbaar is om te weigeren de vennootschap de aftrek van rente toe te staan.

 

Overweging:

Het standpunt van Lexel dat het met het Unierecht in strijd is om de vennootschap op grond van de uitzondering renteaftrek te weigeren, vindt steun in de ingebrekestelling van de Commissie. De belastingdienst, de Zweedse regering, de Förvaltningsrätt en de Kammarrätt hebben zich op het tegenovergestelde standpunt gesteld en zijn van oordeel dat het Unierecht er niet aan in de weg staat dat de aftrek wordt geweigerd. De verwijzende rechter is voorts van oordeel dat het niet mogelijk is om uit de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie met zekerheid af te leiden welk van deze opvattingen juist is. Het is derhalve noodzakelijk het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing.

 

Prejudiciële vraag:

Is het met artikel 49 VWEU verenigbaar dat het een Zweedse vennootschap niet wordt toegestaan rente af te trekken die wordt betaald aan een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep verbonden ondernemingen, waarbij de grond voor deze weigering bestaat in de aanname dat de schuld voornamelijk is aangegaan om de groep verbonden ondernemingen een aanzienlijk belastingvoordeel te verschaffen, met dien verstande dat niet tot het bestaan van een dergelijk belastingvoordeel zou zijn besloten indien beide vennootschappen Zweeds waren geweest, omdat zij in dat geval onder de bepalingen inzake groepsbijdragen zouden zijn gevallen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Cadbury Schweppes C-196/04 ; Marks & Spencer C-446/03; X BV en X NV C-398/16 en C-399/16; SIAT C-318/10

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; EZK