C-491/19 Szent Borbála Kórház

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 27 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 13 oktober 2019

Trefwoorden : financiële belangen van de EU; overheidsopdrachten; burgerlijke rechter

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999;

 

Feiten:

Verweerster (nationaal bureau voor ontwikkeling) heeft een niet-terugvorderbare subsidie toegekend aan verzoekster (de rechtsvoorganger van Sint-Barbaraziekenhuis). De subsidie werd verleend in het kader van een steunprogramma op basis waarvan een subsidieovereenkomst voor een maximumbedrag van 4.264.050.289 HUF is gesloten voor de modernisering van het ziekenhuis. De algemene inspectie voor overheidsopdrachten van het ministerie van Personeelszaken heeft na een controle verklaard dat de verdeling van de overheidsopdracht voor de renovatie van de vier gebouwen in vier percelen en de afzonderlijke beschouwing van de waarde van elk perceel om de geschatte waarde te bepalen, in strijd waren met artikel 18(1-2) van de wet inzake overheidsopdrachten, betreffende het verbod op opsplitsing in percelen. Deze autoriteit besloot daarom 25% van de aangevraagde subsidie te weigeren. Verzoekster heeft dat besluit aangevochten. De onder-staatssecretaris voor juridische zaken van het bureau van de minister-president, optredend als centraal coördinatieorgaan, heeft het besluit op 05.10.2016 bevestigd. Verzoekster heeft het geweigerde bedrag van de subsidie terugbetaald en vervolgens bij de rechter teruggevorderd. De rechter in eerste aanleg heeft deze vordering toegewezen, welk vonnis in tweede aanleg werd bevestigd. Verweerster heeft cassatieberoep ingesteld.

 

Overweging:

Zijn de instanties die bevoegd zijn om een procedure te behandelen betreffende onregelmatigheden in een rechtsbetrekking, ook bevoegd om rechtstreeks iedere inbreuk te onderzoeken waarbij de financiële belangen van de EU worden benadeeld en, zo ja, zijn zij verplicht om een financiële correctie toe te passen? Moet er toepassing worden gegeven aan de Hongaarse nationale wetgeving die de mogelijkheid om burgerlijke rechtsvorderingen in te stellen afhankelijk stelt van de definitieve vaststelling, door een andere instantie (arbitragecommissie of de rechter), dat van een dergelijke inbreuk sprake is? Is de rechter die kennis neemt van burgerlijke rechtsvorderingen, bij gebreke van een procedure voor die commissie, bevoegd om in het kader van het onderzoek van de niet-nakoming van de overeenkomst onregelmatigheden inzake overheidsopdrachten te beoordelen?

 

Prejudiciële vragen:

1. Zijn in de rechtsbetrekking die voortvloeit uit een subsidieovereenkomst de autoriteiten en bemiddelende instanties van de lidstaten die bevoegd zijn om een procedure wegens een onregelmatigheid in eerste of tweede instantie te behandelen, ook bevoegd om in hun procedures rechtstreeks iedere inbreuk te onderzoeken waarbij de financiële belangen van de begroting van de Europese Unie worden of zouden kunnen worden benadeeld, en zijn zij, zo nodig, verplicht om een financiële correctie toe te passen, gelet op verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (hierna: „verordening”), met name in het kader van het controlemechanisme als neergelegd in de artikelen 60, 70 en 98 daarvan?

2. Vormt een nationale procedurele regeling of de uitlegging daarvan in de rechtspraak, volgens welke de niet-nakoming van een subsidieovereenkomst in de vorm van een inbreuk op de wetgeving inzake overheidsopdrachten (onregelmatigheid) alleen kan worden vastgesteld, en iedere burgerlijke rechtsvordering die daaruit voortvloeit alleen kan worden ingesteld, wanneer de arbitragecommissie of een rechter die van het tegen het besluit van de arbitragecommissie ingestelde beroep kennis neemt de inbreuk definitief heeft vastgesteld, een voldoende doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie?

3. Als de inbreuk op de wetgeving inzake overheidsopdrachten een onregelmatigheid oplevert, maar er geen procedure is ingesteld bij de arbitragecommissie, is de rechter die kennis neemt van de burgerlijke rechtsvorderingen inzake de nakoming van de subsidieovereenkomst dan bevoegd om de onregelmatigheid inzake overheidsopdrachten vast te stellen, wanneer hij de niet-nakoming van de overeenkomst onderzoekt?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-260/14 en C-261/14; Wrocław – Miasto na prawach powiatu ítélet C-406/14; Compania Naţională de Autostrăzi si Drumuri Naţionale din Romănia C-408/16; Commissie/Frankrijk C-18/98; C-158/08; C-341/13; C-599/13; C-300/17.

Specifiek beleidsterrein: BZK; EZK