C-495/19 Kancelaria Medius

C-495/19 Kancelaria Medius

Prejudiciële zaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 26 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 12 oktober 2019

Trefwoorden: oneerlijke bedingen, consumentenbescherming; procedureel recht

Onderwerp:

- Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

 

Feiten:

Verzoekster Kancelaria Medius SA heeft verzocht om veroordeling van verweerder RN tot betaling van een bedrag vermeerderd met de verschuldigde rente, welke volgens verzoekster voortvloeit uit een lening overeenkomst die verweerder met haar rechtsvoorgangster heeft gesloten. Verzoekster heeft samen met het verzoekschrift de volgende documenten overgelegd; een procesvolmacht, vergezeld van stukken die de juistheid daarvan bevestigen, een fotokopie van de akte van cessie, een uittreksel uit een bijlage bij deze overeenkomst, een betalingsherinnering en een kennisgeving van overschrijving – zonder bewijzen van de betekening daarvan aan verweerder, alsmede een fotokopie van de raamovereenkomst betreffende de lening. Volgens de rechter zijn dit private documenten die op geen enkele wijze bevestigen dat er tussen verweerder en de rechtsvoorgangster van verzoekster een lening overeenkomst is gesloten. Omdat verweerder zich niet heeft verdedigd, heeft de rechter in eerste aanleg een verstekvonnis gewezen en de rechtsvordering afgewezen. Verzoekster is tegen de beslissing opgekomen en stelt dat de rechter in het geval van een negatieve beoordeling had moeten verzoeken om nadere bewijzen met betrekking tot de documenten waarop de bevindingen waren gebaseerd. Aangezien de rechter geen verzoek heeft gedaan om nadere bewijzen heeft hij de regels van de procesvoering geschonden. Verzoekster heeft ter ondersteuning van haar standpunt een aantal rechterlijke beslissingen bijgevoegd waarin werd besloten dat wanneer een verweerder zich niet verdedigt, de rechter een verstekvonnis moet wijzen op de enkele grond van de beweringen die in het verzoekschrift zijn opgenomen.

 

Overweging:

Uit artikel 339§2 k.p.c. volgt dat de feitelijke grondslag voor het wijzen van een verstekvonnis gewoonlijk wordt gevormd door de verklaringen van de verzoeker, tenzij deze verklaringen bij de rechter “gerechtvaardigde twijfels” doen rijzen of de rechter van oordeel is dat deze zijn gedaan “om de wet te omzeilen.” Volgens de verwijzende rechter is het niet duidelijk of de vervulling van deze negatieve voorwaarden moet blijken uit een analyse van de verklaringen van de verzoeker zelf of uit de bredere context, en dus met name ook uit een analyse van de “memories” van verzoeker of andere documenten. De verwijzende rechter stelt dat als hij de bepaling toepast in de onderhavige zaak, er voor hem geen redenen zullen zijn de bedingen van de tussen de partijen gesloten overeenkomst, en dus evenmin de eventuele oneerlijke bedingen, te toetsen met als gevolg dat de verweerder-consument zijn bescherming wordt ontnomen. De verwijzende rechter vraagt zich af of de bepaling voldoet aan de normen inzake consumentenbescherming die met name zijn neergelegd in richtlijn 93/13/EEG en volgen uit de rechtspraak van het Hof.

 

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29; hierna: „richtlijn 93/13/EEG van de Raad”) aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een procedurele regeling volgens welke de rechter een verstekvonnis kan wijzen op basis van louter de in het verzoekschrift opgenomen verklaringen van de verzoeker, die door de rechter voor waar moeten worden aangenomen indien de verweerder – een consument – naar behoren in kennis is gesteld van de zittingsdatum maar niet ter terechtzitting verschijnt en geen verweer voert?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-266/18, , C-176/17, C-176/17

Specifiek beleidsterrein: JenV, EZK