C-5/20 Vodafone

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     27 februari 2020
Schriftelijke opmerkingen:                   13 april 2020

Trefwoorden : telecommunicatiediensten, internettoegangsdienst, consumenten

Onderwerp :

Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende openinternettoegang en tot wijziging van richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie. (TSM-verordening)

 

Feiten:

Verzoekster is de overkoepelende organisatie van alle 16 consumentenbonden en 25 andere consumenten- en maatschappelijke organisaties in Duitsland. Verweerster is een aanbieder van mobielecommunicatiediensten. Bij een aantal van haar tarieven voor mobiele communicatie biedt zij zogenoemde Vodafonepassen aan. De consumenten kunnen bij afsluiting van een basisovereenkomst gratis voor een dergelijke pas kiezen. Met een dergelijke pas kunnen de consumenten door middel van apps die verzoekster daartoe heeft geselecteerd, gebruikmaken van bepaalde mobielecommunicatiediensten zonder dat de daarbij benutte datavolumes worden aangerekend op de in hun mobielecommunicatietarief vastgestelde basisdatavolumes. In clausule (b) van verweersters algemene voorwaarden is opgenomen dat het dataverbruik bij gebruik via tethering wordt aangerekend op het bij het tarief horende basisdatavolume. Clausule (c) geeft aan dat de Vodafone-pas uitsluitend in Duitsland geldt. In het buitenland wordt het gebruik van de in de pas opgenomen apps aangerekend op het in het tarief begrepen datavolume. Verzoekster stelt dat de clausules niet verenigbaar zijn met artikel 3 van de TSM-verordening en artikel 6 bis van de roamingverordening. De Duitse rechter in eerste aanleg heeft verweerster gelast om clausule (c) niet langer in haar mobielecommunicatieovereenkomsten op te nemen en heeft het beroep betreffende clausule (b) verworpen. Tegen deze beslissing hebben partijen hoger beroep ingesteld. Partijen twisten over tethering in twee specifieke gevallen. Ten eerste het geval waarin het mobiele toestel als router wordt gebruikt en de data door dat toestel aan een ander toestel worden doorgegeven. Ten tweede het geval waarin het mobiele toestel wordt verbonden met een mobiele LTE-router opdat deze de internettoegang via het mobiele toestel tot stand brengt.

 

Overweging:

De eerste vraag heeft betrekking op de door partijen op uiteenlopende wijze beoordeelde problematiek of artikel 3, lid 1, van de TSM-verordening het gelijktijdige gebruik van meerdere – direct of indirect op het openbare telecommunicatienet aangesloten – eindapparaten überhaupt regelt. Volgens verzoekster volgt uit het gebruik van het meervoud in artikel 3, lid 1, van de TSM-verordening dat deze bepaling ook de mogelijkheid van het gelijktijdige gebruik van meerdere eindapparaten regelt. Bovendien wordt in overweging 5 van de TSM-verordening verwezen naar artikel 1 van richtlijn 2008/63/EG, waarin bepaald is dat zowel direct als indirect op de interface van een openbaar telecommunicatienet aangesloten apparaten als eindapparatuur moeten worden aangemerkt. Volgens verweerster zou een dergelijke uitlegging tot gevolg hebben dat in feite ook een groot aantal derden in het genot van de prestaties van de aanbieder van mobielecommunicatiediensten zouden kunnen komen, hetgeen tot een onredelijke uitbreiding van haar prestaties zou leiden. Voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst de vraag of clausule (b) moet worden beschouwd als een „beperking” in de zin van artikel 3, lid 2, van de TSM-verordening. De rechter in eerste aanleg heeft in aanmerking genomen dat tethering krachtens clausule (b) niet verboden is, maar integendeel mogelijk blijft. Door de clausule wordt tethering enkel in economisch opzicht bemoeilijkt. Verzoekster is daarentegen van mening dat een „beperking” reeds voortvloeit uit het feit dat economische voordelen die in andere gevallen worden toegekend, bij tethering niet gelden.

 

Prejudiciële vragen:

1) Dient artikel 3, lid 1, van de TSM-verordening aldus te worden uitgelegd dat het recht van eindgebruikers om via hun internettoegangsdienst gebruik te maken van de eindapparatuur van hun keuze zich mede uitstrekt tot het recht om via rechtstreeks op de interface van het openbare telecommunicatienet aangesloten eindapparatuur (bijvoorbeeld een smartphone of tablet) ook met andere eindapparatuur (een andere tablet of smartphone) gebruik te maken van de internettoegangsdienst (tethering)?

2) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord:

Dient artikel 3, leden 1 en 2, van die verordening aldus te worden uitgelegd dat de vrijheid van de eindgebruiker om de eindapparatuur te kiezen op ontoelaatbare wijze wordt beperkt indien tethering weliswaar niet contractueel verboden of [or. 3] technisch beperkt wordt, maar via tethering verbruikte datavolumes krachtens een contractueel beding, anders dan zonder tethering verbruikte datavolumes, niet onder een zero-rating aanbieding vallen, doch op een basisvolume worden aangerekend en bij overschrijding daarvan afzonderlijk in rekening worden gebracht?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten