C-503/19 en C-592/19 Subdelegación del Gobierno en Barcelona ea

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 2 oktober 2019
Schriftelijke opmerkingen: 18 november 2019

Trefwoorden : derdelanders; verblijfsstatus; strafblad

Onderwerp :

- Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: richtlijn 2003/109);

 

Feiten:

De feiten en omstandigheden in C-503/19 en C-592/19 worden hierna gezamenlijk beschreven. SI en UQ hebben – los van elkaar – aanvragen ingediend om de status van langdurig ingezetene te verkrijgen in Spanje. Deze aanvragen zijn afgewezen omdat zij een strafblad hebben. UQ is eerder veroordeeld wegens het rijden onder invloed van alcohol, en SI heeft officiële documenten vervalst. Het bestaan van een strafblad kan een reden voor verwijdering in de zin van artikel 57(2) van OW 4/2000 zijn (organieke wet 4/2000 op de rechten en vrijheden en de sociale integratie van vreemdelingen in Spanje). De bezwaren van SI en UQ respectievelijk, zijn afgewezen. Zowel SI als UQ hebben vervolgens administratief beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

Volgens artikel 32 OW 4/2000 hebben personen die gedurende vijf jaar ononderbroken in Spanje hebben verbleven en die voldoen aan de in de regelgeving vastgestelde voorwaarden, recht op een vergunning tot langdurig verblijf. Artikel 149(2)f) KB 557/2011 bepaalt dat bij de aanvraag tot toekenning van de status van langdurig ingezetene een uittreksel uit het strafregister moet worden ingediend, dat geen veroordelingen voor naar Spaans recht strafbare feiten bevat. Deze regelgeving heeft geleid tot tegenstrijdige uitleggingen door Spaanse rechters. Deze uitleggingen lopen uiteen: i) strafblad is voldoende voor weigering, ii) rekening houden met persoonlijke omstandigheden, iii) strafblad is geen vergunningsvereiste; en iv) buiten beschouwing houden nationale regels, baseren op de richtlijn.

 

Prejudiciële vragen C-503/19:

1. Zijn artikel 6, lid 1, en artikel 17 van richtlijn 2003/109 verenigbaar met een uitlegging van de nationale rechters volgens welke een strafblad, van welke aard dan ook, voldoende reden is om de status van langdurig ingezetene te weigeren?

2. Moet de nationale rechter naast het bestaan van een strafblad ook rekening houden met andere factoren, zoals de zwaarte en de duur van de straf, het gevaar dat de aanvrager voor de samenleving vormt, de duur van zijn voorafgaand legaal verblijf en de banden die hij heeft met het land, en een beoordeling verrichten die rekening houdt met al deze elementen?

3. Moet artikel 6, lid 1, van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat volgens een nationale regeling de status van langdurig ingezetene, in de zin van artikel 4, kan worden geweigerd om redenen van openbare orde en openbare veiligheid, zonder de in artikel 6, lid 1, en artikel 17 neergelegde beoordelingscriteria vast te stellen?

4. Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 17 van richtlijn 2003/109 aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter volgens de rechtspraak van het Hof betreffende de neerwaartse verticale werking van de richtlijnen bevoegd is om de bepalingen van artikel 6, lid 1, en artikel 17 rechtstreeks toe te passen bij de beoordeling van het bestaan van een strafblad in het licht van de zwaarte ervan, de duur van de straf en het gevaar dat de aanvrager vormt?

5. Moet het Unierecht, in het bijzonder het recht op de verkrijging van de status van langdurig ingezetene en de beginselen van duidelijkheid, transparantie en begrijpelijkheid, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een uitlegging door de Spaanse rechters van de artikelen 147 tot en met 149 Real Decreto 557/2011 (koninklijk besluit 557/2011) en artikel 32 Ley Orgánica 4/2000 (organieke wet 4/2000) op grond waarvan redenen van openbare orde en openbare veiligheid voldoende kunnen zijn om de status van langdurig ingezetene te weigeren, ook al stellen die bepalingen niet duidelijk en transparant vast dat dit redenen van weigering kunnen zijn?

6. Zijn een nationale regeling en de uitlegging daarvan door de rechters, die de verkrijging van de status van langdurig ingezetene bemoeilijken en de verkrijging van de status van tijdelijk ingezetene vergemakkelijken, in overeenstemming met het beginsel dat richtlijn 2003/109, en met name artikel 6, lid 1, daarvan, nuttige werking moet hebben?

 

Prejudiciële vraag C-592/19:

Moeten artikel 4 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2003/109/EG aldus worden uitgelegd dat een strafblad van welke aard dan ook voldoende reden is om de toegang tot de status van langdurig ingezetene te weigeren, zonder dat de duur van het verblijf en het bestaan van banden met het land van verblijf moeten worden beoordeeld?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Nederland C-508/10; Staatssecretaris van Justitie C-502/10; C-61/11; C-502/10;

Specifiek beleidsterrein: JenV-dmb; JenV