C-514/19 Union des industries de la protection des plantes

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 28 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 14 oktober 2019

Trefwoorden : gewasbeschermingsmiddelen;

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (hierna: verordenin);

 

Feiten:

Verzoeker vordert nietigverklaring van het Franse decreet 2018-675 tot vaststelling van de definitie van de werkzame stoffen van de neonicotinoïdefamilie in gewasbeschermingsmiddelen, op grond van bevoegdheidsoverschrijding. Volgens artikel L.253-8(II) van het Franse veld- en zeevisserijwetboek (CRPM) is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die een of meer werkzame stoffen van de neonicotinoïdefamilie bevatten, alsmede zaaizaad dat daarmee is behandeld, verboden vanaf 01.09.2018. Het bestreden decreet voegt daaraan toe dat het gaat om o.a. de volgende stoffen: Acetamiprid; Clothianidine; Imidacloprid; Thiacloprid; en Thiametoxam. Verzoeker stelt dat artikel L.253-8(II) CRPM en het bestreden decreet – dat op basis daarvan is vastgesteld - in strijd zijn met de bepalingen van de verordening omdat het een algemeen en absoluut verbod invoert. Verder betoogt verzoeker dat het bestreden decreet voorbijgaat aan de verordening, en dat het bestreden decreet in strijd is met artikel 49 van de verordening, aangezien Thiacloprid in ten minste één lidstaat van de EU is toegestaan. De Franse regering had het ontwerp van het bestreden decreet op 02.02.2017 aan de Commissie medegedeeld op basis van richtlijn 2015/1535 (niet op basis van de verordening). In die mededeling werd het verbod gerechtvaardigd door te verwijzen naar verscheidene wetenschappelijke studies en naar een studie van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA). De Commissie verklaarde, onder verwijzing naar de verordening, de bezorgdheid van Frankrijk over bepaalde stoffen van de neonicotinoïdefamilie te delen.

 

Overweging:

De wettigheid van het bestreden decreet hangt af van de vraag of het aan de Commissie is om de Franse mededeling te beschouwen als zijnde gedaan in het kader van de procedure van de artikelen 69 en 71 van de verordening en eventueel aanvullende (onderzoeks)maatregelen te nemen die tegemoet te komen aan zowel de vereisten van deze regeling als de bezorgdheid van deze lidstaat? Zo ja, moeten de uitvoeringsverordeningen - die het gebruik van thiamethoxam, clothianidine en imidacloprid met ingang van 19.12.2018 verbieden, met uitzondering van de behandelingen van gewassen in permanente kassen die gedurende hun gehele levenscyclus in een dergelijke kas blijven - worden beschouwd als maatregelen die zijn genomen in antwoord op het verzoek van Frankrijk om een algemeen verbod? Zo ja, wat kan Frankrijk doen indien de Commissie slechts gedeeltelijk aan zijn verzoek voldoet door niet het gebruik van alle stoffen van de neonicotinoïdefamilie te beperken, maar slechts van drie daarvan? Deze vragen duiden op een ernstige moeilijkheid bij de uitlegging van het Unierecht. Zij moeten worden voorgelegd aan het Hof en de uitspraak op het beroep van verzoeker moet worden aangehouden.

 

Prejudiciële vragen:

1. Wanneer een nationale maatregel ter beperking van het gebruik van werkzame stoffen formeel aan de Commissie is medegedeeld op grond van artikel 5 van richtlijn 2015/1535/EU van 9 september 2015, maar met een uiteenzetting - die voldoende duidelijk is zodat de Commissie zich niet kan vergissen door te overwegen dat deze mededeling op grond van verordening nr. 1107/2009 van 21 oktober 2009 had moeten worden gedaan – van de factoren op grond waarvan de lidstaat van oordeel is dat de stof waarschijnlijk een ernstig risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu inhoudt en dat dit risico in de huidige stand van de regelgeving alleen op bevredigende wijze kan worden beperkt met behulp van door de lidstaat genomen maatregelen, is het dan aan de Europese Commissie om de mededeling te beschouwen als zijnde gedaan in het kader van de procedure van de artikelen 69 en 71 van deze verordening en eventueel aanvullende onderzoeksmaatregelen te nemen of maatregelen te nemen die tegemoet te komen aan zowel de vereisten van deze regeling als de bezorgdheid van deze lidstaat?

2. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten de uitvoeringsverordeningen nrs. 2018/783, 2018/784 en 2018/785 van 29 mei 2018, die het gebruik van thiamethoxam, clothianidine en imidacloprid met ingang van 19 december 2018 verbieden, met uitzondering van de behandelingen van gewassen in permanente kassen die gedurende hun gehele levenscyclus in een dergelijke kas blijven, worden beschouwd als maatregelen die zijn genomen in antwoord op het verzoek van Frankrijk van 2 februari 2017 om een algemeen verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die een of meer stoffen van de neonicotinoïdefamilie bevatten en van zaden die met dergelijke middelen zijn behandeld?

3. Indien deze laatste vraag bevestigend wordt beantwoord, wat kan de lidstaat die de Commissie op grond van artikel 69 van verordening nr. 1107/2009 heeft verzocht om maatregelen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die een of meer stoffen van de neonicotinoïdefamilie bevatten en van zaden die met dergelijke middelen zijn behandeld, te beperken of te verbieden, doen indien de Commissie slechts gedeeltelijk aan zijn verzoek voldoet door niet het gebruik van alle stoffen van de neonicotinoïdefamilie te beperken, maar slechts van drie daarvan?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: LNV