C-516/19 NMI Technologietransfer

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 5 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 22 oktober 2019

Trefwoorden : staatssteun; mededinging; zeggenschap

Onderwerp :

- Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

 

Feiten:

Partijen twisten over overheidssteun voor een onderzoeks- en ontwikkelingsproject van verzoekster. Verzoekster (NMI Technologietransfer) heeft een maatschappelijk kapitaal van €27.800,-, waarvan €25.000,- in handen is van het onderzoeksinstituut NMI-Institut. Verweerster (EuroNorm) is gebezigd met publiekrechtelijke bestuurstaken op het gebied van overheidssteun. Verzoekster vroeg bij verweerster steun aan voor haar onderzoeksprojecten. Alhoewel verweerster van mening was dat de projecten principieel voor steun in aanmerking kwamen, wees zij het verzoek af omdat verzoekster niet als kmo (kleine of middelgrote onderneming) kan worden beschouwd aangezien zij onder zeggenschap van een overheidsinstantie staat. Knelpunt in het geding is het curatorium (een van de twee organen van het NMI-Institut). Het curatorium neemt beslissingen over de planning op onderzoeks- en financieel gebied, kan de raad van bestuur benoemen en afzetten, en kan de statuten wijzigen. De meerderheid van de leden van het curatorium is afkomstig uit overheidsinstanties. Partijen zijn het niet eens over de mate van invloed van dit orgaan. Verzoekster heeft bezwaar ingediend, dat door verweerster is afgewezen. Met haar ingestelde beroep houdt verzoekster vast aan haar vordering inzake overheidssteun.

 

Overweging:

Doorslaggevend is de vraag of verweerster op grond van de litigieuze bepaling (artikel 3(4) bijlage I verordening 651/2014) terecht mocht weigeren verzoekster als kmo aan te merken en haar steun toe te kennen. Volgens de ZIM-richtsnoer (centraal innovatieprogramma voor de middenstand) hebben kmo’s die in Duitsland een commerciële activiteit uitoefenen het recht om steunaanvragen in te dienen. Voor de definitie van kmo’s verwijst die richtsnoer naar verordening 651/2014 en de litigieuze bepaling. Volgens de litigieuze bepaling kan een onderneming niet als kmo worden aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties, gezamenlijk of afzonderlijk, direct of indirect zeggenschap hebben over 25% of meer van het kapitaal of de stemrechten.

 

Prejudiciële vragen:

1. Kan een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die een economische activiteit uitoefent volgens artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014, niet als kleine of middelgrote onderneming (hierna: „kmo”) worden beschouwd op grond van het loutere feit dat 90 % van haar maatschappelijk kapitaal in handen is van een stichting naar burgerlijk recht, met een niet voor het dagelijks bestuur bevoegd curatorium bestaande uit 17 personen waarvan er twee vertegenwoordigers zijn van een ministerie, één de burgemeester van een stad, één de rector van een universiteit, drie professoren van die universiteit, één de president van een andere hogeschool en één de algemeen directeur van een kamer van industrie en koophandel?

2. Zijn openbare universiteiten en hogescholen en Duitse kamers van koophandel en industrie overheidsinstanties in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014?

3. Zijn personen die op vrijwillige basis zitting hebben in het curatorium van een stichting, overheidsinstanties in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 louter op grond van het feit dat zij hun hoofdberoep in dienst van een overheidsinstantie uitoefenen?

4. Is het voor het bestaan van zeggenschap van overheidsinstanties in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 bepalend dat de organen van de overheidsinstanties de vrijwillige leden van het curatorium op grond van een rechtsverhouding aanwijzingen kunnen geven om in het curatorium op een bepaalde wijze te stemmen?

5. Is het voor het bestaan van indirecte zeggenschap over de stemrechten door overheidsinstanties bepalend dat vaststaat dat de overheidsinstanties invloed uitoefenen op leden van het curatorium om deze ertoe aan te zetten hun stemrechten op de door de overheidsinstanties bepaalde wijze te benutten?

6. Is reeds dan sprake van indirecte zeggenschap over de stemrechten door overheidsinstanties wanneer de mogelijkheid bestaat dat vrijwillige leden van het curatorium bij hun activiteit binnen het curatorium rekening houden met de belangen van de openbare instanties waarvan zij afkomstig zijn?

7. Is het voor het bestaan van „gezamenlijk[e] [...] zeggenschap” in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 bepalend dat een gezamenlijke wilsvorming van de overheidsinstanties met betrekking tot de stemrechten kan worden vastgesteld?

8. Is het voor het „[hebben van] zeggenschap” in de zin van artikel 3, lid 4, van bijlage I bij verordening nr. 651/2014 bepalend hoe de statuten door de stichting daadwerkelijk worden geïmplementeerd dan wel hoe de bewoordingen van de statuten mogelijkerwijs worden geïnterpreteerd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: EZK;