C-521/19 CB

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 18 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 4 november 2019

Trefwoorden : btw; neutraliteit; fraude;

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

 

Feiten:

CB onderhandelde namens Grupo Lito over optredens van orkesten met het feestcomité (informele groep inwoners). Het feestcomité betaalde bijna altijd in contanten en zonder factuur aan Grupo Lito, de betalingen werden niet geboekt en ook niet aangegeven. CB kreeg 10% van de inkomsten van Grupo Lito (zonder facturen, contant en niet aangegeven). In de jaren 2010, 2011 en 2012 heeft CB respectievelijk €64.414,90, €67.565,40 en €60.692,50 ontvangen aan inkomsten. Volgens de belastingdienst was hier geen btw bij inbegrepen en moest de aanslag in de inkomstenbelasting worden berekend op basis van het ontvangen totaalbedrag. CB stelt dat de belastingdienst de btw verkeerd toepast; in strijd met de rechtspraak van de Tribunal Supremo waaruit volgt dat indien bij een belastinginspectie verborgen handelingen waarvoor geen factuur is opgemaakt aan het licht komen, moet worden aangenomen dat de btw in de tussen partijen overeengekomen prijs is begrepen. De letrado del Estado (soort landsadvocaat) heeft als vertegenwoordiger van de overheid geoordeeld dat de prejudiciële verwijzing nodig was, aangezien het arrest C-249/12JT, waarop de Tribunal Supremo zich baseert, niet van toepassing is op gevallen waarin sprake is van frauduleus gedrag, en hij verwijst naar de arresten C-576/15; C-332/15; en C-131/13JT.

 

Overweging:

Het Hof heeft recentelijk en bijgevolg na de meeste arresten van de Tribunal Supremo die zijn gebaseerd op de uitlegging van de btw-richtlijn die in het onderhavige geval in twijfel wordt getrokken, opnieuw geoordeeld dat de belastingdienst een belastingplichtige het recht op btw-aftrek kan ontzeggen wanneer is aangetoond dat hij frauduleus heeft gehandeld om gebruik te kunnen maken van dit recht (C-159/17).

Vraag is of het vaststellen van aanslagen en het opleggen van sancties door de belastingdienst - in gevallen waarbij een transactie aan het licht komt die door de betrokken partijen vrijwillig en in samenspraak met elkaar is verborgen - verenigbaar is met het beginsel van neutraliteit van de btw en met het beginsel dat het Unierecht niet door middel van fraude kan worden ingeroepen, zodat wordt aangenomen dat de btw in dergelijke doelbewust verborgen transacties is begrepen, net als bij tussen ondernemers verrichte transacties die niet zijn verborgen en waarvan de betalingen formeel worden geregistreerd.

 

Prejudiciële vragen:

Moeten de artikelen 73 en 78 van de btw-richtlijn in het licht van de beginselen van neutraliteit, verbod op belastingfraude, rechtsmisbruik en verbod op onrechtmatige verstoring van de mededinging aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling en de rechtspraak ter uitlegging daarvan volgens welke moet worden aangenomen dat, wanneer de belastingdienst verborgen btw-plichtige handelingen aan het licht brengt waarvoor geen factuur is uitgereikt, de btw in de door de partijen overeengekomen prijs voor die handelingen is begrepen?

Kan dus in gevallen van fraude waarin de handeling is verborgen voor de belastingdienst, worden aangenomen, zoals kan worden afgeleid uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 juli 2016 (zaak C-332/15,), 5 oktober 2016 (zaak C-576/15,) en 7 maart 2018, (C-159/17, EU:C:2018:161), dat geen btw is begrepen in de betaalde en ontvangen bedragen, zodat de juiste aanslag kan worden vastgesteld en de desbetreffende sanctie kan worden opgelegd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-332/15; C-576/15; C-159/17; C-249/12 en C-250/12; C-33/74; C-110/99; gevoegde zaken C-131/13, C-163/13 en C-164/13,

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal;