C-526/19 Entoma

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 29 augustus 2019
Schriftelijke opmerkingen: 15 oktober 2019

Trefwoorden : volksgezondheid; voedselveiligheid; consumenten;

Onderwerp :

- Verordening (EG) Nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten;

- Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie;

 

Feiten:

De politieprefect heeft bij besluit van 27.01.2016 Entoma een tijdelijk handelsverbod opgelegd voor de door haar in de handel gebrachte, voor menselijke voeding bestemde hele insecten. Ook heeft de politieprefect het uit de handel nemen ervan gelast tot aan de verkrijging van toestemming na een beoordeling die moet aantonen dat zij geen enkel gevaar opleveren voor de consument. Entoma heeft de Franse bestuursrechter in eerste aanleg verzocht om nietigverklaring van dit besluit. Het verzoek van Entoma werd afgewezen door zowel de bestuursrechter in eerste aanleg, als door de bestuursrechter in tweede aanleg waarbij hoger beroep was ingesteld. Entoma verzoekt de verwijzende rechter om vernietiging van het vonnis en toewijzing van haar hoger beroep. Entoma voert aan dat verordening 258/97 niet van toepassing is op de producten die zij in de handel bracht. Haar producten bestonden uit hele insecten die als zodanig werden geconsumeerd, waardoor zij zouden zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de verordening.

 

Overweging:

Omdat er verschillende uitleggingen mogelijk zijn van de bewoordingen van verordening 258/97, levert de vraag of artikel 1(2)e voedingsmiddelen omvat die bestaan uit hele dieren die zijn bestemd om als zodanig te worden geconsumeerd, of alleen voedselingrediënten die uit insecten zijn geïsoleerd, een ernstige moeilijkheid op bij de uitlegging van het Unierecht.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 1, lid 2, onder e), van de verordening van 27 januari 1997 aldus worden uitgelegd dat het toepassingsgebied ervan voedingsmiddelen omvat die bestaan uit hele dieren die zijn bestemd om als zodanig te worden geconsumeerd, of is het alleen van toepassing op voedselingrediënten die uit insecten zijn geïsoleerd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-448/14;

Specifiek beleidsterrein: EZK; VWS