C-535/19 A

C-535/19 A

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 27 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 13 november 2019

Trefwoorden : verblijfsrecht; socialezekerheidsstelsels;

Onderwerp :

- Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden;

- Verordening nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna: verordening)

 

Feiten:

Verzoeker (Italiaanse onderdaan) is gehuwd is met een Letse. Eind 2015 heeft hij Italië verlaten en is hij naar Letland verhuisd om bij zijn gezin te gaan wonen. Zijn verblijf in Letland is gebaseerd op een verklaring van inschrijving als burger van de Unie, die naar Lets recht wordt beschouwd als een tijdelijke verblijfsvergunning. Verzoeker heeft geen toegang meer tot de Italiaanse openbare gezondheidszorg vanwege zijn verhuizing naar Letland. Verzoeker wenst in Letland volledige gezondheidsdiensten te ontvangen, maar zijn aanvragen worden afgewezen. Hij zou niet voldoen aan de in verordening 883/2004 gestelde voorwaarden (noch aan die van de Letse regelingen) om dit recht te verkrijgen. De hoedanigheid van burger van de Unie, zou niet vergelijkbaar zijn met die van een Lets onderdaan, waardoor hij niet dezelfde rechten heeft als Letse onderdanen. Verzoeker heeft bij de hoogste rechterlijke instantie cassatieberoep ingesteld. Volgens verzoeker heeft de regionale bestuursrechter onterecht geoordeeld dat het uit richtlijn 2004/38 voortvloeiende verschil in behandeling met betrekking tot het recht van een Unieburger die geen economische activiteit uitoefent om in een andere lidstaat van de Unie sociale bijstand te ontvangen, zich uitstrekt tot het recht op sociale zekerheid. Overeenkomstig verordening 883/2004 is verzoeker onderworpen aan de Letse wetgeving wat betreft het recht op sociale zekerheid. Volgens artikel 4 van verordening 883/2004 hebben burgers van de Unie die geen economische activiteit uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat recht op sociale zekerheid, d.w.z. op gezondheidsdiensten.

 

Overweging:

De verwijzende rechter wenst duidelijkheid te verkrijgen over de toepasselijkheid van verordening 883/2004 op openbare gezondheidsdiensten en over de voorwaarden waaronder een staat een buitenlander – een werkloze burger van de Unie – de toegang tot gezondheidsdiensten kan weigeren. Voorts wenst de verwijzende rechter te vernemen of het rechtmatig is dat die persoon in alle betrokken lidstaten het recht wordt ontzegd om gezondheidsdiensten ten laste van de staat te ontvangen. Hoewel verzoeker naar eigen zeggen momenteel een arbeidsverhouding heeft, is hij gerechtigd om te vragen of hij recht had op een gunstige beslissing, onder meer om te voorkomen dat een dergelijke situatie zich in de toekomst opnieuw voordoet. Dit belang moet worden erkend als een legitieme reden om de procedure voort te zetten.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet openbare gezondheidszorg worden geacht te vallen onder „prestaties bij ziekte” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kunnen de lidstaten dan op grond van artikel 4 van verordening nr. 883/2004 en artikel 24 van richtlijn 2004/38 sociale prestaties waarin met het oog op de waarborging van de gezondheidszorg is voorzien, – die zij toekennen aan hun eigen onderdanen en aan familieleden van een burger van de Unie die de hoedanigheid van werknemer heeft die zich in dezelfde situatie bevinden, – weigeren aan burgers van de Unie die op dat moment niet de hoedanigheid

van werknemer hebben, teneinde disproportionele aanspraken op dergelijke prestaties te vermijden?

3) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, kunnen de lidstaten dan op grond van de artikelen 18 en 21 VWEU en artikel 24 van richtlijn 2004/38 sociale prestaties waarin met het oog op de waarborging van de gezondheidszorg is voorzien, – die zij toekennen aan hun eigen onderdanen en aan familieleden van een burger van de Unie die de hoedanigheid van werknemer heeft die zich in dezelfde situatie bevinden, – weigeren aan burgers van de Unie die op dat moment niet de hoedanigheid van werknemer hebben, teneinde disproportionele aanspraken op dergelijke prestaties te vermijden?

4) Is een situatie waarin een burger van de Europese Unie die zijn recht van vrij verkeer uitoefent, in alle bij de onderhavige zaak betrokken lidstaten het recht wordt ontzegd om openbare gezondheidsdiensten ten laste van de staat te ontvangen, verenigbaar met artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004?

5) Is een situatie waarin een burger van de Europese Unie die zijn recht van vrij verkeer uitoefent, in alle bij de onderhavige zaak betrokken lidstaten het recht wordt ontzegd om openbare gezondheidsdiensten ten laste van de staat te ontvangen, verenigbaar met artikel 18, artikel 20, lid 1, en artikel 21 VWEU?

6) Moet de rechtmatigheid van verblijf in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38 aldus worden begrepen dat ze een persoon recht op toegang tot het socialezekerheidsstelsel verleent, maar tevens een reden kan vormen om hem van de sociale zekerheid uit te sluiten? Moet in casu de omstandigheid dat de aanvrager over een volledige ziektekostenverzekering beschikt – wat een van de voorafgaande voorwaarden voor rechtmatig verblijf in de zin van richtlijn 2004/38 is – aldus worden opgevat dat ze de weigering om hem op te nemen in het openbare gezondheidszorgstelsel kan rechtvaardigen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-249/83; C-122/84; C-302/84; C-78/9; C-25/95; C-64/96; C-160/96; C-184/99; C-224/98; C-413/99; C-333/00; C-148/02; C-456/02; C-200/02; C-209/03; C-403/03; C-406/04; Gouvernement de la Communauté française en Gouvernement wallon C-212/06; C-499/06;. C-127/08; C-578/08; C-434/09; C-388/09; C-571/10; N. C-46/12; C-140/12; C-333/13; C-359/13; C-67/14; Commissie/Slowakije C-433/13; e.a. C-299/14; Commissie/Verenigd Koninkrijk C-308/14; C-517/16; A C-679/16.

Specifiek beleidsterrein: SZW; JenV