C-543/19

Prejudiciële hofzaak C-543/19

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 24 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 10 november 2019

Trefwoorden : antidumping; douane

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 1193/2008 van de Raad van 1 december 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van de voorlopige antidumpingrechten op de invoer van citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China;

- Besluit 2008/899/EG van de Commissie van 2 december 2008 tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China, gewijzigd bij besluit 2012/501/EU van de Commissie van 7 september 2012;

- Uitvoeringsverordening (EU) 2015/82 van de Commissie van 21 januari 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad in verband met het vervallen van de maatregelen, en van gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken overeenkomstig artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 1225/2009, in het bijzonder de artikelen 1 en 2 alsook punt 9 van de bijlage;

- Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/87 van de Commissie van 21 januari 2015 tot aanvaarding van de verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China

 

Feiten:

Op de invoer van citroenzuur uit China is oorspronkelijk een antidumpingrecht geheven. Om hiervan vrijgesteld te worden, heeft Weifang aan de Commissie een prijsverbintenis aangeboden, die bij besluit 2008/899 is aangenomen (oorspronkelijk verbintenisaanbod). Verzoekster en Weifang zijn in januari 2015 de levering van in totaal 360 ton citroenzuur overeengekomen (conform de prijsverbintenis). Op verzoek van de Duitse douane heeft verzoekster de facturen van Weifang (van 29.01.2015) ingediend, waarin o.a. werd verwezen naar “besluit 2008/899/EG”. De Duitse douane heeft het verzoek om vrijstelling van antidumpingrechten afgewezen omdat er naar besluit 2008/899 werd verwezen en niet naar het op 23.01.2015 in werking getreden uitvoeringsbesluit 2015/87. Het antidumpingrecht werd vastgelegd. Verzoekster heeft verzocht om restitutie van het antidumpingrecht en gecorrigeerde facturen ingediend. In deze facturen is “besluit 2008/899/EG” vervangen door “uitvoeringsbesluit (EU) 2015/87”. De douane heeft de restitutie afgewezen, omdat het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard van belang is (C-3/13). Verzoekster heeft daartegen beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij verzoekt om volledige vrijstelling van de antidumpingrechten en voert aan dat de latere indiening van een gecorrigeerde factuur in elk geval is toegestaan.

 

Overweging:

De vraag is of de facturen die zijn ingediend, voldoen aan de eisen in artikel 2(1)b) van uitvoeringsverordening 2015/82. Indien het Hof van oordeel is dat de verwijzing naar besluit 2008/899 in de oorspronkelijke facturen zich verzet tegen de vrijstelling van het antidumpingrecht, rijst de vraag of de op een later moment overgelegde gecorrigeerde facturen, waarvan niet wordt betwist dat deze aan de voorwaarden van artikel 2(1)b) van uitvoeringsverordening 2015/82 voldoen, nog in aanmerking moesten worden genomen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Staat ‒ onder de omstandigheden van het hoofdgeding ‒ een verbintenisfactuur als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening (EU) 2015/82, waarin niet naar het in punt 9 van de bijlage bij deze verordening vermelde uitvoeringsbesluit (EU) 2015/87, maar naar besluit 2008/899/EG wordt verwezen, in de weg aan de vrijstelling overeenkomstig artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/82 van het bij artikel 1 van deze verordening ingestelde antidumpingrecht?

2) Ingeval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Mag een verbintenisfactuur die voldoet aan de voorwaarden van de bijlage bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/82, in het kader van een procedure inzake restitutie van antidumpingrechten worden overgelegd ten behoeve van de verkrijging van de vrijstelling overeenkomstig artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/82 van het bij artikel 1 van deze verordening ingestelde antidumpingrecht?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-3/13 Baltic Agro; C-226/18; C-531/17; C-552/10; C-316/15; C-19/15 Verband Sozialer Wettbewerb;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal;