C-546/19 Westerwaldkreis

C-546/19 Westerwaldkreis

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 11 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 28 oktober 2019

Trefwoorden: migratie; terugkeerrichtlijn; derdelanders; inreisverbod; terroristische organisatie

Onderwerp:

- Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven;

 

Feiten:

Verzoeker is in Syrië geboren en behoort tot het Palestijnse volk (nationaliteit is onbekend). In 1990 is verzoeker samen met zijn ouders naar Duitsland gereisd waar zijn aanvraag om erkenning als vluchteling is afgewezen. Sindsdien moet hij vertrekken, maar hij verblijft op basis van een doorlopend verlengde gedoogstatus in Duitsland. Verzoeker is in 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar en 4 maanden vanwege het werven van leden van een terroristische organisatie en het verspreiden van video- en tekstberichten van islamitische terroristische organisaties. Verweerder (Westerwaldkreis) heeft verzoeker bij beslissing van 24.02.2014 uitgewezen uit Duitsland en een inreis- en verblijfsverbod opgelegd voor zes jaar (later teruggebracht tot vier jaar en uiterlijk tot 21.07.2023). De verwijzende rechter heeft verzoekers beroep in Revision, voor zover deze zich tegen zijn uitwijzing richt, afgewezen. Voorwerp van de Revision vormt thans nog de beslissing om het met de uitwijzing gepaard gaande inreis- en verblijfsverbod terug te brengen tot de duur van vier jaar vanaf een eventueel vertrek en, los van een eventueel vertrek, te beperken tot uiterlijk 21.07.2023.

 

Overweging:

De verwijzende rechter gaat ervan uit dat migratiegerelateerde inreis- en verblijfsverboden zonder beperking onder de richtlijn vallen. Daarentegen dient te worden verduidelijkt of dat ook geldt voor “niet-migratiegerelateerde inreisverboden”. Dit is tot op heden niet verduidelijkt in de rechtspraak van het Hof en het is van belang voor het oordeel inzake de rechtmatigheid van het in casu litigieuze inreis- en verblijfsverbod. Indien de niet-migratiegerelateerde inreis- en verblijfsverbod onder de richtlijn valt, moet verder worden verduidelijkt of het met de richtlijn verenigbaar blijkt te zijn, ook nadat het daarmee gepaard gaande terugkeerbesluit (in casu: de bedreiging met verwijdering) administratief is opgeheven.

 

Prejudiciële vragen:

1. a. Valt een inreisverbod dat aan een onderdaan van een derde land wordt opgelegd wegens „niet-migratiegerelateerde” redenen, in ieder geval binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98), wanneer de lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b), van deze richtlijn?

b. Indien de eerste prejudiciële vraag, onder a), ontkennend wordt beantwoord: valt een dergelijk inreisverbod evenmin onder richtlijn 2008/115/EG wanneer de onderdaan van een derde land reeds los van een tegen hem vastgestelde uitwijzingsbeschikking, waaraan het inreisverbod is gekoppeld, illegaal op het grondgebied verblijft en derhalve eigenlijk binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt?

c. Behoort tot de om „niet-migratiegerelateerde” redenen opgelegde inreisverboden een inreisverbod dat wordt opgelegd in verband met een uitwijzing die is bevolen om redenen van openbare veiligheid en orde (in casu: alleen om algemeen preventieve redenen ter bestrijding van terrorisme)?

2. Indien de eerste prejudiciële vraag aldus wordt beantwoord dat het onderhavige inreisverbod binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/115/EG valt:

a. Leidt de administratieve opheffing van het terugkeerbesluit (in casu: bedreiging met verwijdering) ertoe dat een gelijktijdig daarmee opgelegd inreisverbod in de zin van artikel 3, punt 6, van richtlijn 2008/115/EG onrechtmatig wordt?

b. Treedt dat rechtsgevolg eveneens in wanneer de aan het terugkeerbesluit voorafgaande administratieve uitwijzingsbeschikking definitief is (geworden)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: JenV-dmb; JenV