C-547/19 Asociaţia “Forumul Judecătorilor din România”

Prejudiciële hofzaak 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 30 september 2019
Schriftelijke opmerkingen: 16 november 2019

Trefwoorden: rechtsstaat; onafhankelijkheid rechter;

Onderwerp:

- Artikel 2 VEU en artikel 19, lid 1, VEU;

- Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

 

Feiten:

Bij vonnis van 02.04.2018 heeft de tuchtrechtafdeling voor rechters van de CSM (hoge raad voor de magistratuur) de vordering van de Inspecție Judiciară tot tuchtrechtelijke maatregelen jegens CY, rechter bij de rechter in tweede aanleg te Boekarest, toegewezen en CY uitgesloten van de rechterlijke macht. Bij beschikking van 28.03.2018 heeft de tuchtrechter het verzoek van het Forum van Roemeense rechters om tussenkomst aan de zijde van CY niet-ontvankelijk verklaard. Het Forum en CY hebben hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 28.03.2018 en CY heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 02.04.2018. Deze hogere beroepen zijn gevoegd door de verwijzende rechter, de ÎCCJ.

Bij besluit van de Curte Constituțională (géén rechterlijke instantie) is het verzoek van de Roemeense premier toegewezen en vastgesteld dat er sprake was van een grondwettelijk rechtsconflict tussen het parlement en de ÎCCJ. Slechts vier van de vijf leden van de kamers van vijf rechters waren bij loting aangewezen, de ÎCCJ werd opgedragen onmiddellijk bij loting alle leden van de kamers van vijf rechters aan te wijzen. Op 13.12.2018 heeft bij de ÎCCJ de loting plaatsgevonden waarbij het dossier van deze zaak willekeurig werd toegewezen aan de derde civiele kamer van vijf rechters voor 2018 (de kamer die de prejudiciële vraag heeft voorgelegd). CY stelt o.a. dat de Curte Constituțională buiten zijn bevoegdheid is getreden en haar recht op een eerlijk proces heeft geschonden. Indien de Curte Constituțională namelijk niet had ingegrepen in de werkzaamheden van de hoogste rechterlijke instantie, zou het beginsel van continuïteit van de rechtsprekende formatie niet zijn geschonden en zou de zaak correct zijn toegewezen aan een van de kamers van vijf rechters. Door de ÎCCJ bepaalde gedragingen voor te schrijven heeft de CSM, een administratief orgaan, de beginselen van de rechtsstaat geschonden door de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechtsgang aan te tasten. Die moet namelijk altijd worden uitgevoerd door een bij wet bepaalde rechterlijke instantie.

 

Overweging:

Het Hof wordt in dit verzoek om een prejudiciële beslissing in de eerste plaats verzocht om een uitlegging van het begrip rechtsstaat, dat wordt gebruikt in artikel 2 VEU in samenhang met artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of in een situatie als in de onderhavige zaak de werkzaamheden van de hoogste rechterlijke instantie in een lidstaat kunnen worden gecontroleerd en gesanctioneerd door een orgaan als de Roemeense Curte Constituțională. Bovendien wijst de verwijzende rechter erop dat, gelet op het feit dat de Curte Constituțională geen rechterlijke instantie is en geen rechtsprekende bevoegdheid heeft, maar desondanks bepaalde bevoegdheden die wettelijk aan de ÎCCJ toebehoorden aan de CSM heeft overgeheveld, een arbitrair ingrijpen waarmee de rechtmatigheid van de werkzaamheden van de ÎCCJ worden gecontroleerd, in plaats van wettelijke gerechtelijke procedures (bestuursrechtelijke beroepen, procedurele excepties in het kader van rechtszaken, etc.), negatieve gevolgen kan hebben voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en zelfs voor de grondslagen van de rechtsstaat, afhankelijk van de uitlegging die het Hof geeft aan dit begrip.

 

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een grondwettelijk hof (dat volgens het nationale recht geen rechterlijke instantie is) zich uitspreekt over de wijze waarop de hoogste rechterlijke instantie infraconstitutionele wetgeving heeft uitgelegd en toegepast bij de samenstelling van rechtsprekende formaties?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZK; BZ